Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\

„dat de beslissing omtrent de inrichting der veren, evenals ten aanzien van andere communicatiemiddelen in het algemeen belang, aan Ons behoort verblijven".

Op deze en andere gronden, niet enkel omdat de Fransche wet nog niet was ingetrokken, werd de goedkeuring onthouden.

„Overzetveren, aan wien ook toekomende." Wat wil dat zeggen? Men spreekt wel eens van den eigendom van een veer. Bedoelt men daarmede burgerlijken eigendom'? Mijns inziens is dit begrip niet toepasselijk op een veer, ten dienste van het publiek bestemd, zoo min als op een publieken weg. Wel kan de exploitatie daarvan aan iemand behooren, die haar bij concessie of op andere wijze verkreeg; doch dit belet geenszins, dat bepalingen omtrent de inrichting der politie van overheidswege worden vastgesteld.

Het is mijne meening, gelijk het die denkelijk reeds in 1862 was, dat de wetgever of de Koning algemeene regels geve, om vervolgens de politieregeling der veren in de provinciën, welke geen Rijksveren zijn, aan de provinciale Staten over te laten.

Wil de geachte afgevaardigde eenig geduld oefenen met den Minister en geene toezegging van een bepaald tijdstip verlangen, dan is de zaak mij wel aanbevolen.

Een tweede wet is die van 14 Flore'al an XI of 4 Mei 1803, omtrent het schoonhouden van beekjes en waterleidingen. Had de Minister schuld wat betreft de veren, hier zeker niet. Aan een adressant, die intrekking der wet van 4 Mei 1803 verzocht, antwooidde ik den 2/sten September 1864 niet de beschikking:

„Overwegende, dat de wet van 14 Floréal an XI geene regeling bevat van het onderwerp der waterleidingen, maar slechts voorschrijft, hoe eene regeling tot stand moest komen;

„dat, ten gevolge der toenmalige Staatsinrichting, bij art. 2 der wet liet Gouvernement als het tot regeling bevoegd geza" is aangewezen; °

„dat echter, ten gevolge van art. 192 der Grondwet, en artt. 137 en 140 der provinciale wet, die bevoegdheid tot regeling thans behoort aan de provinciale Staten, onder goedkeuring des Konings;

„dat dan ook de Staten van verschillende provinciën, Drenthe, t ïiesland, Limburg, Groningen, Overijsel tot eene nieuwe regeling of tot herziening eener bestaande regeling van het onderwerp der waterleidingen zijn overgegaan, welke de goedkeuring des Konings hebben erlangd;

„Geeft, namens Zijne Majesteit, aan den adressant te kennen, dat er geene termen bestaan om aan zijn verzoek tot het intrekken der wet van 14 Floréal, an XI, te voldoen."

Wat belette dan de Staten van Gelderland? Dat zij het over de vaststelling van een reglement onderling niet eens konden worden.

Alleen de heer Moens kwam eenigszins uitvoerig op zijne in eersten termijn aangevoerde redenen terug. Er kon, meende hij, veel bezuinigd worden op alle hoofdstukken der begrooting — en hjj was daarvoor te vinden. Doch waarom moest nu met bezuini-

Sluiten