Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 1840 benoemd tot buitengewoon hoogleeraar, belast met hetzelfde onderwijs in de astronomie, niet meer en niet minder, hetgeen hij reeds eenigen tijd als lector had gegeven. Vijf jaren later, in 1845, werd hij, na het overlijden van den hoogleeraar Uylenbroek, gewoon hoogleeraar.

Men heeft naar antecedenten gezocht; ik ook, en ik erken dat ik er gaarne een had gevonden; doch het is mij niet gelukt.

Men heeft drie namen genoemd; ik heb ook nog naar andere namen laten zoeken, maar men heeft er geene gevonden.

De drie namen zijn die van de hoogleeraren Scholten, Eruierins en Roijaards. De beide eersten waren als gewone hoogleeraren benoemd te Franeker, en hadden als zoodanig hun ambt aanvaard. Nu werd na eenige jaren het Rijksathenaeum te Franeker opgeheven; en daar er voor het oogenblik geene open plaatsen waren, werd de heer Enschedé te Groningen en de lieer Scholten te Leiden buitengewoon toegevoegd. Toen nu later de vraag ontstond: wanneer hebben die hoogleeraren aanspraak op verhooging V heeft men na eenig onderzoek, na eenige aarzeling zelfs beslist, dat zij aanspraak op verhooging hadden van het jaar af waarin zij tot gewoon hoogleeraar waren benoemd; want zoo zij tusschentijds, gedurende een interval buitengewoon geweest waren te Groningen en te Leiden, de instelling, waarbij zij oorspronkelijk als gewone hoogleeraren waren benoemd, was opgeheven, zoodat het interval niet ten hunnen nadeele kon strekken. Dit schijnt mij zóó duidelijk, dat het mij zelfs bevreemdt, hoe men een oogenblik kon aarzelen. Ik zou aanstonds beslist hebben, dat er geen twijfel kon zijn, of hier moest de dagteekening der eerste benoeming tot gewoon hoogleeraar gelden.

De heer Roijaards. Hier komt juist uit wat, dunkt mij, het eenige beginsel moet zijn dat de Minister te volgen heeft. Wat is met den hoogleeraar Roijaards gebeurdV Dit heeft waarschijnlijk aanleiding gegeven tot het misverstand, waarin men gisteren dien naam aanhaalde. De heer Roijaards was tot buitengewoon hoogleeraar benoemd in 1823, een paar jaar later werd hij gewoon, maar toen nu dertig jaren na 1823 waren verstreken vroeg die hoogleeraar — een verzoek door curatoren der hoogeschool te Utrecht ondersteund — het vierde verhooging van traktement te mogen genieten. Doch het Gouvernement beriep zich op denzelfden regel, dien ik thans eveneens inroep. Het antwoordde: gij moet uw tijd afwachten; gij moet volle dertig jaren het gewoon hoogleeraarschap bekleed hebben. De heer Roijaards is vóór afloop van dien tijd overleden.

Ziedaar de feiten. Ik hoop niet verplicht te zijn iets meer over deze zaak te zeggen.

Het amendement van den heer van Kuijk werd met 40 tegen 33 stemmen aangenomen.

Artikel 13 J. Jaarwedden van de inspecteurs van het middelbaar onderwijs.

Sluiten