Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat van Staatswege wellicht kan en moet gedaan worden. Wanneer ik sprak van onderzoek dat ik mij voorbehield, dan was mijne meening het hoofdzakelijk op die praktijk te richten. Ik begrijp zeer goed, dat de heer Jonckbloet vraagt: waartoe onderzoek? Hij die klaar meent te zijn, acht alle onderzoek overbodig Ik denk echter dat de redenen, die ik tot dns ver aan de Vergadering onderwierp, het verlangen, dat de ervaring ons op dat gebied van proefneming eerst nog doe vorderen, wel te rechtvaardigen.

De wet van 1863 wil in artikel 21 de meest vrije schepping van partikulieren of hunne vereenigingen, van gemeentebesturen, van provinciën. Ik zou die vrije beweging willen laten voorgaan. Het verzet, dat nog tegen de middelbare scholen in het algemeen en tegen die voor meisjes inzonderheid bestaat, wordt het best bestreden door de praktijk; het zal worden aangewakkerd, wanneer van hooger hand een ontijdige greep geschiedt.

Artikel 21 der wet van 1863. Ook nu nog ben ik geheel en al in den geest van dat artikel en verlang ik voor het oogenblik

O (J O

niets meer. ,,De inrichting van middelbare scholen voor meisjes, door gemeentebesturen, provinciën of' bijzondere personen met of zonder subsidie te stichten, wordt aan de stichters overgelaten, behoudens voorwaarden, aan verleende subsidien te verbinden."

En nu kom ik tot de voorgestelde subsidieverlening, waarom het eigenlijk te doen is.

Ik begin met terzijdestelling van het bezwaar, dat de heer van Blom aanstipte, doch hetgeen, vermoedde hij, den Minister niet zou tegenhouden: het financieel bezwaar, de uitgaaf. Gaat de zuinigheid van den Minister zóo ver, dat hij niet eenige duizenden guldens zou overhebben voor eene zoo nuttige zaak? Indien de geachte spreker meent, dat de Minister voor dergelijke bedenkingen geen oogenblik zou blijven staan, heeft hij volkomen gelijk.

Aan de andere zijde hoorden wij van den geachten eersten voorsteller van het amendement, den heer Jonckbloet, dat, wanneer men de uitgaven voor onderwijs, kunsten en wetenschappen te zamen met die voor Oorlog vergelijkt, wij ons over de reden tusschen die cijfers moeten schamen. Gelukkig heeft men voor bet onderwijs geen gepantserde vaartuigen noch kanonnen te bestellen, noch vestingen of forten te bouwen. Geld is voor de ontwikkeling van onderwijs, kunsten en wetenschappen een slechte maatstaf. Wil men echter dien maatstaf nemen, dan mag ik herinneren, dat wij onze uitgaven voor onderwijs, kunsten en wetenschappen sedert 1860 nagenoeg verdubbeld hebben. Hebben wij die voor Oorlog ook verdubbeld. Goddank, neen.

Een enkel cijfer. De kosten, die het Rijk aan het lager onderwijs besteedt, zijn sedert 1858 verdubbeld, doch die van wege de gemeenten bedragen 3 a 4 maal het cijfer van dat jaar, thans 5 a 4 millioen. De uitgaven voor de hoogescholen beliepen in de vijf jaren 1861 tot 1865 f 1.700.000; ze zijn in 1865 tot 1870 geklommen tot 2 millioen drie a vier tonnen gouds. Die voor het

Sluiten