Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te wagen; en hare overtuiging, dat zij dit niet mocht doen, was zoo sterk, dat zij wederstand bood aan mijn verzoek om de zaak aan de actionarissen te onderwerpen. De directie meende dit niet te mogen doen; volgens hare conscientie toch was een voorstel om op nieuw te wachten, na al de kosten reeds gemaakt en waarmede men al wachtende zou moeten voortgaan, tegen het belang der Maatschappij. Dan liever de concessie laten varen.

Ziedaar de geschiedenis.

Men stond derhalve voor het alternatief: de concessie te zien vervallen; of Naarden zonder voorafgaande ter visie lisnrinsr in de

.. . oö O

wet op te nemen; dit, wat mij betreft, niet met een volkomen goeden wil. Maar zoo ik het eerste nog minder wilde, wat bleef overig, dan aan de Staten-Generaal de vraag te onderwerpen: wil de wetgever dispenseeren ?

Ik heb dit woord in de andere Kamer gebruikt, en meen het ook nu te mogen doen, in zoo verre het hier geldt vrijstelling van de wet in een bijzonder geval om bijzondere redenen. Wil men hetgeen ik voorstel afleiden uit den algemeenen regel, lex posterior derogat priori, ik mag het gaarne lijden, want die regel in den ruimsten zin opgevat behelst ook de macht van dispensatie.

Wanneer sommige geachte sprekers bezwaar tegen dispensatie of vrijstelling van de algemeene wet van onteigening hebben, kunnen zij evenwel, dunkt mij, niet meenen, dat de wetgever zijn recht, om van eene vroegere wet af te wijken, zou behooren te abdiceeren. De wetgever blijft heden hetgeen hij gisteren was; hetgeen hij vaststelde kan hij veranderen, uitbreiden of beperken, voor één geval gelijk voor alle gevallen; van dat recht af te zien, kan, meen ik, niet in den geest van eenig lid der Kamer liggen.

Dispensatie van eene wet is menigwerf zonder eenig bezwaar door deze kamer gegeven. Ik zal niet spreken van vroegere voorbeelden, toen de wet soms van voorschriften van het Burgerlijk Wetboek dispenseerde, maar slechts eenige bijzondere wetten herinneren, waardoor, sedert 1849, van eene algemeene wet afgeweken werd. Dit is bijvoorbeeld door een aantal wetten geschied, waarin voorschriften der gemeentewet, zonder dat iemand, zooveel ik weet, bezwaar zag, ten behoeve van deze en gene gemeente voorbijgegaan werden.

Indien de wetgever, zegt men, het recht van dispensatie wil uitoefenen, moet hij dezen wil in de wet verklaren.

Waar is het voorschrift, Mijnheer de President ? Niemand kan het aanwijzen; en de Regeering heeft daaraan niet gedacht. Niets ware gemakkelijker geweest, dan „bij wege van dispensatie" of dergelijke bewoording in de wet op te nemen. Maar het scheen niet noodig, en waarom, zoo al in de discussie, in de wet meer zeggen dan noodig is?

Kan er over de intentie van den wetgever eenige twijfel bestaan, nadat een aantal geëerde sprekers, ieder op zijne beurt, van het bezwaar, hetzij om het te doen gelden, hetzij om het te weerleggen, gewag heeft gemaakt?

Sluiten