Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

instellingen weigert. Zóó ver zijn wij nog niet, Mijnheer de President. De geachte afgevaardigde, die het woord „oorlog" telkens als verwijt in den mond neemt, bedenke dat de voorbereiding, die bij hem „oorlog" heet, tot verzekering dient onzer zelfstandigheid, waar die bedreigd mocht worden. Intusschen zullen alle maatregelen, welke daartoe vereischt worden, niet beletten dat, wanneer de tijd voor andere nuttige uitgaven gekomen is, de voorstellen aan de Staten-Generaal zich niet zullen laten wachten. Ieder zal mij, geloof ik, vrij verklaren van de vrees, geld te vragen, waar dit mij noodig voorkomt.

Op de meisjesscholen kom ik niet terug. De gronden voor de gedragslijn van den Minister zijn medegedeeld, en de geachte spreker heeft geen enkel woord gezegd om die te weerleggen.

Het inkomen van de onderwijzers. Hangt dat van de Regeerine afV Het is bij de wet op het lager onderwijs geregeld. Wil de geachte spreker herziening in overweging geven, hij gelieve dan te bedenken, dat het niet altijd voor de ijverige waarneming van bedieningen, vooral van die welke aan den onderwijzer is toevertrouwd nuttig is, telkens te wijzen op eene zoogenaamde lotsverbetering, of op den materieelen toestand, op een booger inkomen, dat de te laag bezoldigde onderwijzer eigenlijk verdienen zou.

Het roepen om hoogere bezoldiging is een mode-artikel, eene vraag van den dag, en in het belang van zoovelen, maar heeft men op de gevolgen doorgedacht?

De veeziekte. Te dien opzichte heeft de geachte spreker — ik zal mijne meening rond zeggen — aan een groningsch vooroordeel toegegeven.

Toen verscheidene jaren geleden de longziekte op één punt in de provincie Groningen verscheen, was men zoo gelukkig, dit aanstonds te ontdekken en door afmaking de ziekte uit te roeien. Men trof het juiste tijdstip. Doch is dat eene reden om voor provinciën als Utrecht, Noord- en Zuidholland, waar wij sedert 50 jaren de longziekte als eene dagelijksche ziekte kennen, zoo te zeggen als een deel van de constitutie van een aanzienlijk deel van den veestapel — die, wat de maatregelen daartegen te nemen betreft, met de veepest gelijk te stellen?

Niemand van de deskundigen, welke de longziekte in praktijk en theorie sedert jaren kennen, zooveel ik met hen in aanraking kwam, deelt in het gevoelen van den geachter spreker. Wij zouden de meest dwaze daad gedaan hebben, indien wij het besluit van December in zijn vollen omvang hadden toegepast.

De tegenwoordige toestand is, wat die ziekte betreft, zeer gunstig. Zij is — het komt op de drie provinciën Noordholland, Zuidholland en Utrecht aan — gedurig afgenomen. In de eerste vier weken van dit jaar waren er boven de 1000 aangiften; in de laatste vier weken tussphen 300 en 400. In Zuidholland bedraagt het cijfer der aangetasten nog niet J van dat in de eerste maand des jaars; in Noordholland J, in Utrecht de helft; alom regelmatige

Sluiten