Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens den heer Bylandt betracht de wet van 1857 de gelijkheid van het recht niet, die er tusschen bijzonder en openbaar onderwijs moet bestaan. Hij herinnerde eenige woorden, door mij in de andere Kamer gesproken, en drukte bij de aanhaling der eerste voorwaarde, door ruy gesteld, vooral hierop, dat ik gezegd had: „het openbaar onderwijs dient de belangen van allen". Maar de geachte spreker heeft er niet bijgevoegd, althans zoo zachtjes dat ik het niet gehoord heb: „gelijkelijk ' voor allen. Het openbaar onderwijs, zooals het nu ingericht is, dient gelijkelijk de belangen van allen; het voorziet in hetgeen allen noodig hebben. Nu zijn er, die daarbij nog iets anders, iets meer, iets daarboven of' daarbuiten verlangen, boven of buiten het onderwijs namelijk in lezen, schrijven, rekenen en andere gewone vakken der volksschool, dat zij met allen begeeren. Waarop ziet nu mijne voorwaarde, welke de geëerde spreker aanhaalde V Degenen,^ die iets anders verlangen dan het openbaar onderwijs bestemd is te zijn, voor allen gelijk, hebben daarvoor zeiven te zorgen. Er wordt dus niet ontkend, — en ik doe dit allerminst, — dat godsdienstzin en godsdienstige opleiding een belang is van allen, maar de vraag is, of de lagere school daarvoor de plaats zij ? Diegenen, die geen ander onderwijs verlangen, dan in de openbare school gegeven wordt, willen evenzeer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen gezorgd hebben, maar op andere — laat ik er bijvoegen naar hunne begrippen waardiger wyze dan in de lagere school zou kunnen geschieden.

Sprekende van: „allen"; meende ik dus niet een cijfer, maar de gelijkheid van behoefte; en dat gelijkheid van behoefte bestaat omtrent hetgeen men gewoon is lager onderwijs te noemen, zal niemand, zal ook de geachte spreker niet ontkennen, al verlangt hij dat iets anders er bij kome.

Dat godsdienstig-kerkelijk of gezindte-onderwijs met bijzonder onderwijs in het algemeen op ééne lijn gesteld, of zelts bij uitsluiting zoo genoemd worde, kan ik niet toegeven. Ik acht de ontwikkeling van het bijzonder onderwijs in het algemeen belang, indien het zoo wordt ingericht dat het, allen gelijkelijk dienende, ten gevolge kan hebben dat van overheidswege zooveel minder voor het onderwijs behoeft te worden gedaan. Doch in verbinding eener godsdienstig-kerkelijke opleiding aan lager onderwijs een algemeen belang? Mij schijnt zij noch in het belang van dat onderwijs zelf, noch in het belang van hen, die bijzonder den godsdienst willen behartigd hebben. Onder dezen tel ik mij zeiven. Ik geloof dat opleiding in den godsdienst aan andere handen moet zijn toevertrouwd, in de eerste plaats aan de opvoeding in den boezem der familie, en vervolgens aan anderen dan den onderwijzer deilagere school. Tweederlei zeer bescheiden taak, waarvan de vermenging niet deugt, noch voor het gewoon lager onderwijs, noch voor de ware ontwikkeling van godsdienstzin. Bovenal, hoe wil men godsdienstleer in de lagere school, als algemeen belang be-

Sluiten