Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de overheid zeggen: doe het openbaar onderwijs volgens de stellingen geven, die mijn geloof uitmaken.

Derhalve kan „voldoend" niet in verband gebracht worden met „eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen," zooals de geachte spreker meent. Ware de Grondwet voor de interpretatie vatbaar, welke hij daaraan geeft, dan zou zij rechtstreeks eischen hetgeen hij en de zijnen begeeren, en zou door hen aan eene herziening van het artikel in het geheel niet moeten gedacht worden; want dan beantwoordt geen artikel beter aan hunne wenschen dan dat. Geen beter, geen sterker argument voor de noodzakelijkheid van vrij bijzonder onderwijs, dan juist dat betoog van den geachten spreker. In hetgeen hij verlangt en wat hij — mijns inziens onjuist — in de Grondwet vindt, kan alleen bijzonder onderwijs voorzien. Doch men zou de gedachte zelfs aan eene openbare school, van overheidswege gesticht, uitsluiten, wanneer men eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen zoo opvatte, als de geachte spreker wil.

Repliek van den heer van Vollenhoven. De uitlegging, die de minister van het woord „eerbiediging" in de grondwet gaf, verklaarde hij, was al eene zeer gemakkelijke. Doch welk bewijs werd aangevoerd, om aannemelijk te maken, dat daarmee alleen iets negatiefs zou zijn bedoeld? Hoe het ware, onderscheidene ingezetenen vonden geene overeenstemming tusschen het openbaar onderwijs en hunne godsdienstige begrippen. Hun moest recht geschieden.

Ik moet nog een enkel woord zeggen. Het geldt de vindicatie der Grondwet, en het ware begrip van ons lager onderwijs.

De geachte spreker beweert, dat ik, „eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen" voor een enkel negatief voorschrift verklarende, dat zeg zonder bewijs. Zonder bewijs? Wie heeft, behalve den geachten spreker, van wien ik het nooit gewacht had, en een lid der Tweede Kamer, zich ooit begeven in de interpretatie, die ik als geheel onaannemelijk afwees? Toen ik die het eerst in de Tweede Kamer vernam, was zij eene geheel nieuwe ontdekking voor mij; in het oog van hen, welke de oude, gewone interpretatie volgen, niets anders dan eene late exceptie tegen de wet van 1857. Heeft iemand bij de behandeling dier wet aan „eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen", den zin getracht te hechten, dien de geachte spreker daaraan geeft? In allen gevalle legt de wet van 1857 de bewoording uit, zooals ik die meen te moeten uitleggen.

Onderscheiden ingezetenen vinden geen overeenstemming tusschen het openbaar onderwijs en hunne godsdienstige overtuiging. Een feit, niet te veranderen. Wanneer de wet wil, dat godsdienstigkerkelijke opleiding van de openbare school uitgesloten blijve, dan kan niemand vrede hebben met een onderwijs, volgens dat voorschrift ingericht, die verlangt dat juist godsdienstig-kerkelijk onderwijs in de openbare scliool gegeven worde. Een strijd met de wet, zoo als iedere wet zal te strijden hebben.

Sluiten