Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de kleine rivieren gezorgd; zoowel liet een als het ander heb ik uitgesteld, omdat reeds zoo groote uitgaven te doen waren.

De heer Begram, deze begrooting met die voor 1866 en 1867, zoo als hij reeds in eene vorige zitting begon te doen, vergelijkende, zegt: indien al de tegenwoordige aanvraag niet hooger is'dan de sommen, in de genoemde jaren uitgegeven, wie waarborgt ons tegen verhooging? Daartegen is geen volstrekte waarborg te geven; doch ik was nooit geneigd, toevlucht bij suppletoire begrootingen te zoeken; alleen door den nood gedwongen ben ik daartoe soms gekomen. Steeds meende ik dat het maximum bij de eerste voordracht moet worden aangevraagd, zoodat daarbij vooral op geene nadere begrooting gerekend worde.

De geachte spreker wenscht de algemeene som voor de hoofdrivieren terug te brengen tot die, welke in 1871 toegestaan werd. Ik heb daartegen tweeërlei bedenking.

Vooreerst het uitstel zal geld kosten. De geachte spreker zegt: neen. Doch wanneer ik medededeel dat ik bij den last, aan °de ingenieurs vóór een half jaar gegeven, uitdrukkelijk voorgeschreven heb, aan te vragen wat in het dienstjaar moest verricht en door uitstel duurder zou worden, dan geloof ik van mijne zijde gewaarborgd te hebben, dat het uitvoeren van de voorgestelde werken nuttiger en minder duur zal zijn in 1872 dan in een later jaar. Ik mag daarbij herinneren dat in 1871, gelijk ik meermalen deed opmerken, veel uitgesteld is om de bijzondere redenen die toen bestonden; hetgeen toen verschoven werd, en zonder groote schade verschoven kon worden, moet nu worden ingehaald.

Eene tweede bedenking: men zou den geheelen aanleg van de begrooting, wat deze werken, de verbetering van de hoofdrivieren betreft, desorganiseeren. De spreker dient met juistheid op te geven wat zal worden uitgesteld, anders staat men geld toe, waarvan de bestemming noch aan den Minister, noch aan de Kamer bekend is. Neemt men eene globale som van de begrooting af, dan moet een ander plan worden geteekend.

Aangezien in de begrooting zelve de voorgenomen werken niet werden genoemd — antwoordde de heer Begram — bleef de regeering over de besteding der toegestane gelden hare vrijheid behouden. Waarom zou dan op een of ander begrootingsartikel niet eene vermindering kunnen worden voorgesteld ?

Wie kan de noodzakelijkheid of tijdigheid van een bepaald werk van herstelling of verbetering zoo juist beoordeelen als de ingenieurs van den waterstaat? Kan de Minister, kunnen de leden der Kamer het? Wanneer nu door den Minister, op voorstel van die ingenieurs, aangevraagd wordt hetgeen in dit jaar volstrekt noodig is, welken waarborg verlangt men of zou iemand kunnen geven? Men zal toch niet, de geachte spreker het minst van allen, willekeurig en onbepaald meenen te kunnen verklaren: dat voor 50.000 of 100.000 gulden werk kan uitgesteld worden? Zoo zal

Sluiten