Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i i j j persoonlijke voor goed ter zijde gebracht

had door den aanhef van mijne vorige rede. Ik had gezegd, dat ik in een slecht hnrneur had kunnen gebracht zijn door den meesterachtige^ en corrigeerenden toon van twee sprekers, en dat ik hunne uitdrukkingen, toen genoemd, als eene krenking zou kunnen opnemen. Wat de qualificatie betreft, ik laat aan de Kamer het oordeel over, in hoever de teneur van dergelijke redevoeringen een meesterachtigen, corrigeerenden toon hebbe, in hoever als krenking kon worden opgenomen — en ik acht mij niet zoo licht gekrenkt — dat ik aan de Kamer beloften zou hebben gedaan die ik niet heb verwezenlijkt, iets zou hebben voorgespiegeld, strijdig met de waarheid, met de feiten, met de gevolgen. Dit is hetgeen ik persoonlijk jegens de beide sprekers zeide. Het men, waarvan ik sprak, strekt zich verder uit dan tot die sprekers; ik doelde, op de discussie, onder het publiek ontstaan. Zoo de beide sprekers zich dit nu aantrekken, en zich daaraan schuldig achten, ik mao- het lijden maar mijne bedoeling was het niet.

Dat ik niet zou gewoon zijn aan tegenspraak van die zijde, waar ik mijne vrienden gezeten zie, dit te beweren verraadt eene slechte memorie van de geschiedenis onzer debatten. Mijne vrienden hebben het mij veel lastiger gemaakt dan mijne tegenstanders, reeds voor jaren.

Ik kom tot de zaak.

Vergunt de wet, vroeg de heer Heemskerk, dat de tegenwoordige burgerscholen voor meisjes worden opengesteld? Bij de discussie, zegt de geachte spreker, heeft niemand daaraan gedacht. Ma» ik niet het tegendeel beweren V Indien mij destijds die vraag gedaan ware, zou ik geantwoord hebben: welk bezwaarV Waar hebben w«, behalve speciale scholen, scholen uitsluitend voor jongens? Dit is zelfs met de hoogescholen het geval niet. Desniettemin kan de wet zeer wel onderscheid maken tusschen scholen, wier lioofdbesteniming voor jongens, en dezulke, wier hoofd bestemming voor meisjes is.

De andere argumenten, welke de geachte spreker aan de wet ontleent, zijn dat niet argumenten met twee handvatsels V Omdat bijv. de wet in liet artikel omtrent de burger-dag- en avondscholen spreekt van ambachtslieden, dus kennelijk het oog heeft op mannen, moet daarom de wet ook daar, waar zij spreekt van degenen die de hoogere burgerscholen kunnen bezoeken, uitsluitend mannen bedoelen i Daar bij de hoogere burgerscholen mannelijke leerlingen met uitdrukkelijk genoemd worden, zou men daaruit eene "eheele andere conclusie kunnen trekken dan de geachte spreker. Maar ik geloof niet dat men met dergelijke fijne wetsuitlegging verder komt.

De geachte spreker wenscht geene vrijheid van studie. Ik begrijp dit. Ik ben van een ander gevoelen. De geachte spreker vraagt: mag aan Staatsinstellingen onbepaalde vrijheid heerschen? Wat doet de Staat, wanneer hij instellingen van onderwijs openzet, anders dan aan ieder gelegenheid geven daar, naar de mate zijner

Sluiten