Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarborg gelegen is voor de waarde die uien hecht aan hetgeen men

zich voor dien prijs verschaft.

Ik had inij voorgesteld dit in overweging te brengen, wanneer de proef, die men nu begonnen is te nemen, gedurende een jaar zou genomen zijn. Maar zal men nu, zal men dit jaar al de stukken, voor de Staten-Generaal gedrukt, in het Bijblad modedeelen en het Bijblad vollediger maken dan het ooit is geweest, door ook al de bijlagen van de begrooting daarin op te nemen, — ik geloof, Mijne Hecren, dan zal hetgeen ik mij anders tot het volgende jaar had voorbehouden, wellicht terstond eene beslissing vorderen.

De heer van Eek wensuht niet alle stukken, die bij Je Kamer worden ingediend, in het Bijblad op te nemen. Hij wil alleen den bestaanden toestand bevestigen.

De laatste woorden geven mij aanleiding nog een woord te zeggen, bijzonder over het voorstel zelf. Het is eene bedenking, die ik van den beginne af aan tegen het voorstel, zoo als het was geformuleerd, meende te moeten inbrengen. Ik heb daarop van ter zijde gewezen, en zal die nu rechtstreeks aanvoeren. Mij dunkt, Mijne Heeren, wanneer wij besluiten, dat ook hetgeen men Bijlagen noemt, in het Bijblad zal worden opgenomen, daaraan de bijlagen van de begrooting niet kunnen worden onthouden. Alle stukken, de bijlagen van de begrooting zoowel als van andere ontwerpen van wet, moeten dan in het Bijblad worden medegedeeld. Het zou anders, naar het mij voorkomt, de zonderlingste ongelijkheid van handelen zijn. Alle redenen, die men kan hebben om te wenschen, dat de overige stukken in het Bijblad worden opgenomen, diezelfde redenen pleiten ook voor de opneming van de bijlagen der begrooting.

Daar ik zoo even zeide, dat de uitgaven van de Staatscourant in 1850 de inkomsten met nagenoeg ƒ 20,000 hebben overtroffen, moet ik er nu bijvoegen, dat daaronder nog niet zijn begrepen de drukkosten van de bijlagen tot de begrooting. Geeft dus de Kamer den wensch te kennen, alle stukken voor het Bijblad af te leveren, waaronder, mijns inziens, dan ook die bijlagen zullen behooren, dan zal, bij behoud van den tegenwoordigen abonnementsprijs, het verschil tusschen de ontvangsten en de uitgaven van de Staatscourant grooter worden, dan het reeds in 1850 was.

De geachte spreker heeft gezegd: men moet het publiek inlichten. Zonder twijfel, maar de vraag is: welke is de beste wijze om dit te doen? De onderteekenaars van het voorgelezen adres stellen ons het publiek voor als een publiek met half gesloten oogen, die men moet trachten te openen, en waarin men een licht moet trachten te doen vallen, dat zij eigenlijk weigeren op te nemen. Maar nu vraag ik, of dit Bijblad zal kunnen dienen tot verspreiding van licht, tot opklaring van politische denkbeelden, tot kennisneming van onzen

Sluiten