Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen opwekken, wierden vermeden, zal hij ook zelf erkennen dat de plicht, de politieke plicht inzonderheid van den Minister, kan medebrengen, hetgeen ernstig is gezegd, met ernst te beantwoorden.

De geachte spreker heeft gevraagd — en aan de beantwoording van die vraag was zijne rede gewijd — wat heeft de ervaring geleerd omtrent het vermogen van het tegenwoordig Ministerie, om aan de eischen van de Grondwet en van het Nederlandsche Volk te voldoen?

Hij sprak eerst van de Grondwet, en begon zijn betoog met de verzekering, waarop ik aanstonds terugkom, dat onze Natie thans, na de opgewondenheid van 1848, in eene neerslachtige stemming verkeert. Vervolgens heeft de geachte spreker getracht het onvermogen van het Gouvernement, 0111 aan de eischen van de Grondwet te voldoen, aldus te betoogen: het tot stand komen van wetten, heeft hij gezegd, wordt hoe langer hoe meer speculatief, hetgeen in de parlementaire taal wel zal beteekenen niet waarschijnlijk. Hij gewaagde dan van wetten, die nog niet zijn verkregen, maar sprak niet van de wetten die tot stand zijn gebracht. Ik weet wel, het doet den geacliten spreker leed, dat die wetten, misschien wel, dat er wetten tot stand zijn gekomen. Maar bij die beoordeeling van het vermogen of onvermogen van het Gouvernement, dient men toch niet alleen te letten op hetgeen niet is geschied, maar ook op hetgeen is geschied. En de vraag is, meen ik, geoorloofd: zoo die andere wetten er nog niet zijn, is het de schuld van het Gouvernement of is het de schuld van den tijd, die de meester is èn van het Gouvernement èn van de Staten-Generaal, die beiden dwingt het een na het ander te doen? Het komt mij voor, Mijne Heeren, dat zoo de geachte spreker uitsluitend uit hetgeen tot dusverre niet is geschied, afleidt dat het Ministerie onvermogend is, — er wel een ander zou kunnen zijn, die, lettende op hetgeen is gedaan met medewerking van de StatenGeneraal, meende, dat dan toch "in twee jaren, met die medewerking, meer verricht is, dan sedert eene halve eeuw, in zoo korten tijd, op het gebied van wetgeving hier te lande ooit is geschied.

De geachte spreker heeft gewaagd vnn de wet op het onderwijs. Het was hem moeilijk het woord niet te noemen, maar hij voegde er aanstonds bij, dat hij daarover nu niet zou spreken. Ik zal afwachten hetgeen hij uitdrukkelijk heeft toegezegd. Hij heeft gezegd, voornemens te zijn bij de beraadslaging over het Vde hoofdstuk der begrooting met dien ernst over dat onderwerp te zullen handelen, dien het verdient.

De geachte spreker heeft in den loop van het betoog, dat het Ministerie was gebleken onvermogend te zijn om te voldoen aan de eischen der Grondwet, zijn stelsel van getemperde monarchie genoemd; hij heeft er in éénen adem bijgevoegd de souvereiniteit van bet Huis van Oranje; een punt, waarover de eerste strijd in deze Kamer tusschen hem en mij zou zijn gevoerd. Die souvereiniteit, en dat is wederom een blijk van onvermogen van het Gouvernement, is ter

Sluiten