Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijde gesteld. Ik zal met een woord herinneren, Mijne Heeren, hetgeen, bedrieg ik mij niet, is voorgevallen. Er is gewaagd van de souvereiniteit van het Huis van Oranje, en ik heb gezegd niet te kunnen begrijpen, in welken zin of met welk doel. Ik weet het nog niet, wat men moet verstaan onder de souvereiniteit van een Huis; ik weet alleen dat wij een grondwettigen Koning hebben. Ik heb gezegd: vreest gij niet, wanneer gij aan onze Grondwet, die van geen souvereiniteit, laat staan van die van een Huis spreekt, die spreekwijze volstrekt wilt opdringen, — dat dan anderen, met gelijken, met meer aandrang misschien, aan onze grondwettige instelling de spreekwijze van Volkssou vereiniteit zullen willen opdringen? En ten slotte, wat zal er gewonnen zijn, hetzij met de spreekwijze toe te laten, hetzij met ze weg te nemen? Kan er eene enkele handeling, eene enkele wetsbepaling onder het gebied van deze Grondwet anders door worden? Ik meen dat ik hiervan niet meer behoef te zeggen. Ik moet echter bekennen, zoo de geachte spreker zegt: de souvereiniteit is ter zijde gesteld, niet te weten wat hij bedoelt, ten ware ter zijde stellen zij niet spreken van hetgeen de Grondwet niet noemt.

Dat het Ministerie niet aan de eischen der Grondwet voldoet, betoogt de geachte spreker op eene andere wijs, door opwekking, gelijk zoo dikwijls, van hartstocht, en wel van dien hartstocht, die de meest doodende van alle is, door opwekking van vrees. Hij tracht bang te maken voor dit Ministerie. Hij heeft vroeger van anderen gevaarlijken toeleg gewaagd, dien hij aan dit Ministerie toeschreef. Nu heeft hij ontdekt, dat het Ministerie een nieuwen vreeselijken gruwel bedoelt, namelijk het Staatsal ver mogen in de Wetgeving, in het Bestuur in te dringen. Het Staatsal vermogen! Wat verstaat de geachte spreker daaronder? Hij heeft er bijgevoegd, dat de toeleg van het Ministerie is om alle vrijheden en rechten door den Staat te laten absorbeeren. En dat zegt hij ons, nadat wij, met medewerking ook van deze Kamer, het kiesrecht van de natie hebben verzekerd; op een tijdstip, waarop nauwelijks een van onze dagbladen verschijnt, of een gedeelte van hunne kolommen is gevuld met verslagen van de vrije beraadslagingen der provinciale Statenvergaderingen en der Gemeentebesturen. Heeft ooit, zoolang ons Land in de geschiedenis bekend is, de politieke vrijheid zich in eene zoo groote menigvuldigheid van stemmen geopenbaard als nu? Ik geloof het niet. In dien zin derhalve bedoelt het tegenwoordige Gouvernement gewis niet absorbtie der rechten en vrijheden. Het wil vrij maken, om den band tusschen de leden en den Staat in zijn geheel door de vrijheid te versterken. Of bedoelt de geachte spreker Staatsalvermogen op een ander, op het stoffelijk gebied, op het gebied van de nijverheid? Dan mag ik vragen, of hij vergeet, welk eene vlucht, welke beweging op dat gebied, sedert de laatste twee jaren wordt opgemerkt; beweging uit de vrijheid ontsproten, zonder bescherming, zonder tusschenkomst van de zijde van den Staat?

Sluiten