Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de tweede plaats heeft het geachte lid de veeartsenijschool ter sprake gebracht. Hij heeft gevraagd: wat is verricht om de longziekte tegen te gaan; wat om de empirici niet meer in het land te dulden? Mijne Heeren, het Departement van Binnenlandsche Zaken heeft niet alles op eenmaal kunnen doen. De politiewet ten aanzien van de veeziekte, is sedert geruimen tijd aan den Raad van State onderworpen; zij zal, verwacht ik, dezer dagen tot mij terugkomen. Geschiedt dit, dan zal zij nog vóór Kerstmis aan de Tweede Kamer kunnen worden toegezonden. De geachte spreker beklaagt zich, dat men nog empirici duldt; hij gewaagt daarvan, alsof er niets anders noodig ware dan het nemen van een besluit of het maken eener wet, strekkende om die empirici het land uit te zetten of door veeartsen te vervangen. Gesteld, dat zoodanige wet, die alleen de toegelaten veeartsen bevoegd verklaart tot uitoefening van de veeartsenijkunst — eene wet die ik wenschelijk acht en die ik ook zal voordragen — er ware, gelooft de geachte spreker dat wij daarmede zouden zijn geholpen? Neen, wij moeten de empirici nog eenen geruimen tijd toelaten, zal er in de behoefte van het platteland kunnen worden voorzien. Langen tijd zullen ze nog moeten blijven en er zal bij de bedoelde wet een niet te korte termijn moeten worden bepaald binnen welken die empirici zich, willen zij later blijven practiseeren, aan het te regelen examen zullen moeten onderwerpen. De Regeering — zegt de geachte spreker — moet zich de zaak in het groot aantrekken. De Regeering heeft beloofd dit te zullen doen en zij zal het doen bij de politiewet, die binnenkort ter kennis van de Kamer zal worden gebracht. Maar de Regeering heeft het gedeeltelijk ook reeds gedaan. De geachte spreker heeft hetgeen bij de wet regelende de onteigening ten algemeenen nutte bepaald is, over het hoofd gezien. Let men daarop, dan vervalt het verwijt, dat de middelen in Friesland zouden kunnen ontbreken, geheel. Ontbreken de middelen ergens, dan is, ingevolge de onteigeningswet, de schatkist daar.

Wat het onderwijs betreft, heeft de geachte spreker gezegd, dat ik te dien aanzien niet handelde in den geest dien hij zou verlangen. Mijne Heeren, ik zal gaarne afwachten, dat die geest, bij de behandeling der afdeeling Onderwijs, nader door den geachten spreker worde verklaard. Hij heeft gezegd, niet te verlangen, dat juist in zijnen geest worde gehandeld. Ik zal het gaarne doen, wanneer het mij voorkomt, dat die geest de ware, de goede is. Maar de geachte spreker zal mij ook wel veroorloven, dat ik mijne wijze van zien doe gelden. Ik zal nu niet zeggen, dat ik het grootste gedeelte van mijn leven in de wereld van wetenschap en geleerdheid heb doorgebracht, maar alleen dit, dat ik als Minister van Binnenlandsche Zaken eene bepaalde overtuiging dien te hebben. Maar mocht mijne overtuiging mij blijken voor de zijne te moeten onderdoen, gaarne zal ik mij door de laatste laten leiden.

Sluiten