Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de Regeering wel voor te leggen, weet zich wel gehoor te verschaffen. Men deelt zijne inzichten rnede omtrent de wijze waarop die belangen beter zouden worden bevoordeeld en behartigd dan op de wijze die de zoogenaamde Waterstaat wil. Die botsing van het bestuur van den Waterstaat met de bijzondere belangen is ook eene reden — en ik mag dit wel doen gevoelen — waarom de mannen van den Waterstaat, zooals zoo dikwerf wordt gezegd, niet populair zijn, waarom zij hier en daar zelfs voor onkundig worden gehouden. Het gebeurt zoo licht, dat men, niet behoorende tot het corps, afwezigheid van inzicht onderstelt bij hem, wiens inzicht van het onze verschilt.

Als bewijs, dat er inderdaad geen standvastig beleid bij den Waterstaat aanwezig is, heeft de geachte spreker aangevoerd, dat die zoogenaamde overlaat van Cruquius zou zijn verlaagd, ten gevolge van eene opmerking van een lid der Eerste Kamer. Hetgeen volgens hem in den beginne het voornemen niet is geweest, was dit van den aanvang af, maar als tijdelijk hulpmiddel. Het betoog van het lid der Eerste Kamer, dat op zeer juiste gronden steunde, strekte om het werk nog in het najaar te doen plaats vinden. Men wilde niet wachten totdat de nieuwe Merwede de kracht zou hebben welke zij tot beveiliging van Gorkum en Werkendam bijv. moet hebben. Dan zal zij voor het overtollige water zorgen, gelijk de afvloeiing nu reeds bij voorraad door verlaging van den overlaat zal worden bevorderd.

De geachte spreker heeft ten laatste gezegd, dat hij niet anders verlangt dan genoegzaam onderzoek. Ik meen, dat van de zijde der Regeering genoegzaam is onderzocht. Maar indien hij mocht verlangen — hetgeen ik niet kan onderstellen —, dat zoolang worde onderzocht, totdat men van zijn advies zal zijn, ik geloof niet, dat iemand het recht heeft dit te begeeren, vooral niet bij een werk zooals dit. Het zou niet betamen aan een particulier, maar zeker niet aan eene Regeering, aan een onderzoek die bepaalde richting te geven, dat het deze of gene uitkomst zou moeten hebben. Wanneer zoovele krachten, zoovele bekwaamheden, zoovele oogen zich sedert zoovele jaren gescherpt hebben op dit onderwerp, de verbetering van den staat en van den loop onzer rivieren, wanneer daarop plannen werden gemaakt, wanneer aan die plannen een begin van uitvoering werd gegeven, en dit begin, daar waar het gemaakt werd, algemeene goedkeuring ontmoette; wanneer zich daaraan voor het volgende jaar eene nieuwe reeks van werken verbindt in denzelfden zin, op denzelfden weg, dan bestaat althans bij mij de overtuiging, dat men zich op het rechte pad bevindt. Ik heb in den loop van dit jaar vele bedenkingen gewacht, want men had eene zware taak te verrichten, eene taak, die met zeer vele bijzondere belangen en inzichten in aanraking, in botsing kwam, en ik moet erkennen, over het algemeen t:enomen, deelt men in de meening, dat hetgeen is geschied, reeds goede gevolgen heeft of in volgende jaren zal moeten hebben.

Sluiten