Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geachte spreker uit Tiel, mijn oude bondgenoot, is teruggekomen op eene discussie, die wij beiden, misschien een jaar geleden, hier te zamen hebben gehad; op eene discussie over de uitvoering der wet van 1806. Hij bedoelde toen de uitvoering van de provinciale reglementen, gemaakt ten gevolge van de wet van 1806, met name van het Geldersche reglement. Het was zijn wensch dat dit reglement getrouwelijk zou worden ten uitvoer gelegd. Het reglement is de wet niet, en ik moet hem herinneren dat ik toen over den uitleg van het bedoelde artikel een gevoelen had, gelijk ik nog heb, dat zeer van het zijne verschilt. Ik kan dus zijn advies niet volgen, dat strekte, de gedeputeerde Staten aan te manen, dat zij dat reglement in den zin, door hem voorgestaan, getrouwelijk zullen naleven.

Nu kome ik, Mijne Heeren, tot de sprekers, aan mijne linker zijde gezeten. In de eerste plaats tot den geachten spreker uit Nijmegen (den heer van Lynden), wiens hoofddoel reeds was uitgedrukt door de woorden, waarmede de spreker uit de residentie eergisteren avond en heden opnieuw is begonnen „Dagelijks", dit waren de woorden, „is de waarborg tegen de vexatoire toepassing der wet meer en meer onmisbaar geworden." De vexati'èn bij de toepassing der wet, dit is het thema geweest van het grootste deel van de rede van den geachten spreker uit Nijmegen. Hij is teruggekeerd tot de beraadslaging over het adres van antwoord op de troonrede, en heeft hetgeen ik toen heb gezegd, nu beantwoord. „Toen — zoo sprak hij — beweerde de Minister, dat men ten onrechte klaagde over het gemis aan vrijheid tot oprichting van bijzondere scholen; maar de Minister was slecht ingelicht te dezen aanzien." Hij heeft vervolgens hetgeen te Goes en te Lienden is voorgevallen, bijgebracht als bewijs, dat de bestaande verordeningen slechts worden misbruikt tot een wapen van willekeur, en hij kwam tot dit besluit: „Het is derhalve onjuist, dat, gelijk de Minister beweert, de besturen over het algemeen vrijgevig zijn. Neen, het is er zooverre van daan, dat vrijheid van onderwijs, dat eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen tot dusver weinig meer zijn dan een ijdele klank." Zietdaar wat hij zeide, want gaarne draag ik de tegenwerping in volle kracht voor, omdat hetgeen ik te antwoorden heb, oneindig sterker is dan alle tegenwerping. Gesteld nu, dat hetgeen hij heeft gezegd, door een aantal bewijzen van hetgeen de geachte spreker uit de residentie vexatoire toepassing van de wet van 1806 heeft genoemd, kon worden ondersteund, men zou dan, geloof ik, aan die sprekers met recht in de eerste plaats deze opmerking mogen maken: de menschen uwer partij, althans die zich tot sprekers opwerpen, zijn moeilijke, onrustige, woelige menschen, welke de gemeentelijke en provinciale besturen reeds door hun toon en den vorm hunner vertoogen onthutsen, in stede de overheid tot toegenegenheid, tot mildheid te stemmen. Ik zou dit met meer dan één stuk, dergelijke aanvrage, als waarop hier wordt gedoeld, inhoudende, kunnen

Sluiten