Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staven. In dezelfde onderstelling, die ik aanstonds zal tegenspreken, zou men aan die partij — ik mag dat woord gebruiken, want zij zei ven stellen in dien naam hooge eer — in de tweede plaats te gemoet mogen voeren: Welnu, wat bewijst hetgeen gij zegt anders dan verschil van opvatting der wet? Het zijn moeilijkheden, niet te voorkomen en die altijd zullen bestaan, welke wet gij ook hebt. Waar de uitvoering aan onderscheidene overheden is toevertrouwd, zijn dergelijke moeilijkheden niet te vermijden. Het onderzoek naar de zedelijkheid, het toezicht, de vormen, die zullen moeten worden vervuld; ten aanzien van dat alles zal, welke wet men ook hebbe, de uitvoering altoos aan zoodanige zwarigheden onderhevig zijn. Dit een en ander zou men, geloof ik, met recht kunnen aanvoeren, zoo hetgeen door den geachten spreker is gezegd, juist was, dat namelijk in den regel de oprichting van bijzondere scholen wordt tegengegaan.

Maar het tegendeel is waar. Dit is mij gebleken uit een opzettelijk onderzoek, dat ik heb doen instellen omtrent de resultaten van mijne circulaire. Ik mag dat stuk herinneren, omdat de geachte spreker heeft gezegd, die circulaire heeft geheel haar doel gemist; zij is gebleken machteloos te zijn, want de gemeentebesturen, de provinciale Staten zijn in de vexatoire toepassing van de wet van 1806 voortgegaan. Welnu, die circulaire is van den aanvang van December 1849, en ik heb, voorzoover dit bij mijn Departement mogelijk was, het getal laten opnemen van de bijzondere scholen, hier te lande sedert 1 Januari 1850 tot half November j.1., dus in nog geen twee jaren, tot stand gekomen. Er zijn in dat korte tijdsbestek 95 bijzondere scholen opgericht, en misschien meer. Tegenover die 95 scholen staan de drie gevallen, waarvan de geachte spreker uit Nijmegen (de heer van Lynden) heeft gewaagd, te Lienden, te Goes en te 's Hertogenbosch. Behalve die drie gevallen zijn er nog twee voorbeelden van weigering, waaromtrent de verzoekers zich tot den Minister hebben gewend. Het geheele getal der gevallen van weigering of belemmering bedraagt dus vijf. Wanneer ik nu die weinige voorbeelden stel tegenover het getal der opgerichte scholen, dan geloof ik toch te mogen beweren, dat de gemeentebesturen zich niet aan eene vexatoire toepassing der wet, aan zucht om de bijzondere scholen uit te sluiten, hebben overgegeven. Integendeel, die scholen zijn in den regel opgericht.

Wat is nu te Goes voorgevallen, die ééne plaats, waarop men telkens terugkomt? Ik moet zeggen, de schuld ligt ten deele bij de verzoekers. Hadden die menschen een eenvoudig verzoek ingediend, om daar eene bijzondere school te mogen hebben, waren zij niet vervallen in groote woorden over hun Christelijken zin en over behoeften, die zij geroepen waren aan te vullen, wellicht ware de oprichting der school toegestaan. Maar neen, zij hebben een hoogdravend request

7*

Sluiten