Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelsel toe, dat ik nu voor liet eerst verneem. Door niets te doen, begrijpt de Minister — zoo gaat hij voort — geschiedt hetzelfde, wat het gevolg zou zijn van zijne wet. Ik moet erkennen, Mijne Hoeren, dat ik op dergelijke betichting geen antwoord weet, dan hetgeen ik' hem reeds heb gegeven. Zoo bij den Minister van Binnenlandsche Zaken niet alleen een volkomen gebrek bestaat aan ijver om de Grondwet uit te voeren; zoo hij zelfs zoekt de uitvoering van de Grondwet te ontgaan, mij dunkt dan is alle discussie tusschen den geachten spreker en mij overbodig, en behoort hij andere middelen te beproeven.

De geachte spreker heeft in de laatste plaats gewaagd van de wijze waarop ik hem, bij eene vorige discussie, zou hebben behandeld. Ik zou jegens hem eene beleedigende uitdrukking hebben gebezigd. Mijne Heeren, ik wensch jegens niemand eene beleedigende uitdrukking te gebruiken, en ik heb die ook niet gebruikt jegens den geachten spreker, schoon mijn geduld — de Vergadering duide het mij niet euvel dat ik het zeg — door hem niet zeldzaam op eene harde proef werd gesteld. Wat heb ik gezegd? Ik heb gezegd, hoe men het in de taal van den gewonen omgang zou noemen, wanneer iemand de alarmklok trekt, wanneer iemand wantrouwen zaait tegen het Gouvernement, op een tijdstip waarop het Gouvernement of degecn, die in naam van het Gouvernement spreekt, in de onmogelijkheid is' het ongegronde en onrechtvaardige van de betichting te betoogen. Ik heb gezegd dat, wat de geachte spreker zich veroorloofde, in de parlementaire spreekwijze verbreken van de orde was. En ik wenschte dat hij mij dit niet zoo kwalijk name, na de menigvuldige zonden, door hem tegen de orde gepleegd. Ik wenschte dat hij dit zoo kwalijk' niet name, want ik ben overtuigd, dat de Vergadering in mijn geval is, en genegen, hem die zonden minder kwalijk te nemen dan anderen. De geachte spreker is met zijne beginselen, zijn stelsel, zijne meeningen niet in de orde. Hetgeen hij verlangt is niet aan de orde van den dag. Het spreken van den heer Groen van Prinsterer moet daarom in den regel met verbreking der orde gepaard gaan.

De geachte spreker heeft mij toegevoegd, dat ik gezegd had: de Kamer moet handelen, enkel handelen. Ik heb dit nooit gezegd, maar wel, dat de Kamer geroepen is te handelen en dat dit bestaat in besluiten na behoorlijke discussie. De geachte spreker heeft mij twee, drie malen het gezegde toegeschreven, dat de Kamer enkel moet stemmen zonder discussie, gelijk onder Napoleon. Ik ben verre geweest dat te zeggen. Zoodanig stelsel, heeft hij gezegd, loopt uit op vernietiging van het parlementaire gouvernement. Ik zou gedacht hebben, dat de uitdrukking: „parlementair gouvernement" den geachten spreker niet licht zou zijn ontvallen. Van mijne zijde meen ik, dat het parlementaire gedrag van dien spreker uitloopt op vernietiging van de parlementaire kracht in handelen. Wanneer hierin toegegeven

Sluiten