Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeggen, dat mijn beleid het Land de gevaren meer en meer doet te gemoet gaan, die ons van alle zijden bedreigen; hij ontziet zich niet aan het Gouvernement, aan mij te zeggen: gij verwaarloost de hoogste belangen van de Natie. Wanneer dit nu niet eens, niet twee keeren, maar bij herhaling aan het Gouvernement wordt toegevoegd, dan treedt de politiek in hnrc rechten, en de politiek is gestreng. En dan moet ik den geachten spreker en zijnen vrienden zeggen: Gij zijt eene uitsluitende partij; gij hebt enkel uwe partijinzichten, niet het algemeen belang op het oog. Vraagt gij de vrijheid om haar zelve, om de verscheidenheid van krachten, die zij wekt, of om alleenheerschappij te oefenen? Waart gij eene stille partij, die enkel zocht God op hare wijze te dienen, men zou, al hield men uwe meeningen voor dwaling, u eerbiedigen. Maar gij wilt met uwe godsdienstige stellingen op het politiek gebied regeeren, en zietdaar waar het gebied van den strijd begint. Gij tracht eene oude wond weder te openen, en eene oude Nederlandsche ziektestof te ontwikkelen. Ik zal nu niet herinneren, dat de geachte spreker ons zoo gaarne in de tijden van de Republiek terugvoert, toen eene partij, toen één deel der Natie onder een standaard van godsdienstige gezindheid, van familiebegunstiging, van privilegiën, heersehte over het andere. Maar hierop vestig ik de aandacht, — want het is voor onzen Staat van een uiterst gewicht, het duidelijk te zien en in oprechtheid te zeggen: indien wij datgene zullen gaan doen, waartoe de geachte spreker zoo dikwerf aanleiding geeft, indien wij hier onze wetten en handelingen van bestuur zullen beoordeelcn als katholieken of protestanten, indien wij hier de publieke aangelegenheden zullen gaan beschouwen ieder met een kerkelijk oog, het zal met de eenheid van den Staat, met de gelijkheid van recht, het zal met regeering zijn gedaan!

Gij zegt: wij zijn oppositie. Ik vraag: welk is het karakter van uwe oppositie? Mij dunkt, in eene politieke oppositie, welke dien naam verdient, welke meer is dan politieke vijandschap, moet althans een kiem zijn van regeling voor de toekomst. Ik laat andere landen en tijden daar; denk alleen aan de tweeërlei oppositie, waarmede ons Gouvernement in de laatste tien jaren vóór 1848 te doen had; de eene trok zich inzonderheid de belangen onzer financieele huishouding aan, de andere kwam voor de herziening der Grondwet op. Waar is in uwe oppositie dergelijk beginsel van wording? Gij ziet niet vooruit; gij ziet terug. Gij wilt ons in de kerk der voormalige oligarchische republiek, aangevuld met eene beschermende souvereiniteit, terugvoeren.

Mijne Heeren! in den loop dezer discussiën is meermalen het woord uitgesproken, dat op de tong was onzer vaderen: PJendracht maakt macht. Laat ons, Mijne Heeren, die schoone leus voeren, niet gelijk ten tijde der Republiek als van hetgeen ons ontbreekt, maar als van eene eigenschap, van eene kracht, die wij bezitten.

Sluiten