Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezenlijke kennis te verkrijgen. Dat uitsluitend werken voor het examen en niet om degelijke wetenschap te erlangen, is een groot nadeel aan onze akademiën eigen, en die allerongelukkigste en verderfelijke richting wordt op die wijze aan de jongelieden reeds ingedrukt vóór dat zij nog de akademie bezoeken. Maar er is nog een ander nadeel aan dit examen verbonden. Men verbeeldt zich, wanneer men het heeft doorgestaan, een graad te hebben verkregen; men gelooft uit dien hoofde gedurende het eerste jaar, dat men aan de akademie toeft, vrijheid te hebben om niets te doen; te meer, dewijl dat eerste jaar bijzonder voor propaedeutische studiën bestemd is. En dat eerste jaar verloren, is drie jaren verloren voor het vervolg. De instelling van het examen is dus, mijns inziens, eene dubbele dwaling- Dit is niet eene opvatting van het oogenblik; ik heb de zaak gedurende zeven jaren kunnen nagaan. Er moet vrijheid zijn in dit opzicht, gelijk vrijheid van akademische studie bij de akademiën. Vrijheid moet vooral gelden, waar het er op aankomt gevolg te geven aan den wil, om zich door akademische opleiding een of meer takken van wetenschap eigen te maken.

De geachte spreker heeft nog gezegd: de eerste indruk, dien de Minister had, was afschaffing, en die indruk was de beste. Aldus is de geachte redenaar in tegenspraak met zich zeiven. Hij heeft ons het hooge nut, het groot belang van dat examen, zooals het bestond, trachten aan te toonen. Volgens hem moest het dus niet worden afgeschaft. Het is dan ook in stand gehouden, zooveel mogelijk scheen. Het is behouden, om een leidraad te hebben ter beoordeeling v;m de hoogte, waarop het voorbereidend onderwijs staat, en van de kennis, door de jongelieden, in den regel verkregen.

De geachte spreker meent: de jongelieden leggen zich nu niet toe. Hij bedriegt zich; zij doen hun best om zich van de voordeeligste wijze te doen kennen. Een enkele heeft zich aangemeld voor het examen, die verklaarde zich op geen der vakken, waarover het examen loopt, te hebben toegelegd. Maar zoo iemand moest zonder eenigen twijfel zijn afgewezen. Er kan geen examen over eenig vak afgenomen worden van iemand, die verklaart het niet te hebben beoefend. Men kan te kort schieten; maar zegt men: ik heb er geen werk van gemaakt, het spreekt van zelf, dat men wordt afgewezen. Heeft nu de commissie voor het staatsexamen dit niet altoos in acht genomen, het is eene fout. Het was geenszins de bedoeling, dat ieder, die zich slechts aanmeldde, zonder onderscheid, dat ook hij, die geene of niet dan dwaze antwoorden gaf, tot de akademie zou worden toegelaten. In dien zin is het geen examen van toewijzing, het is een examen loopende over bepaalde vakken; niet ingesteld voor iedereen, ook voor hem aan wien die vakken vreemd bleven. Het komt aan op het onderzoek van de mate van kennis, en hij die ze in mindere mate doet blijken, mag niet worden teruggestooten.

Sluiten