Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht, voor zoover het heerlijk recht is, moest bij eene bijzondere wet worden geregeld. Zoo het er op aankomt deze wet, indien zij uit dien hoofde berisping verdient, tot eene voortreffelijke wet te maken, men zou die weinige bepalingen bij amendement daaruit kunnen lichten. Want die „vreemdsoortige bestanddeelen" bestaan, geloof ik, slechts in twee artikelen: in het artikel waar gesproken wordt van de afkoopbaarheid, en in dat waar sprake is van de jacht, aan den Koning voorbehouden. Mocht men die twee artikelen niet willen, men kan er tegen stemmen, en het systeem der wet zal voor het overige in zijn geheel blijven. Maar ik veroorloof mij te gelooven, dat wanneer deze politiewet op de jacht binnen de grenzen was gebleven, welke de geachte spreker aanwijst, hoogst waarschijnlijk, en mijns inziens te recht, de inlassching van deze bepalingen zou zijn verlangd. Men zou, meen ik, aan hem, die zoodanig ontwerp voorstelde, waarbij de wijze om de rechten van derden in overeenstemming te brengen met deze wet, niet was geregeld, zeggen: gij hebt eene onvolledige wet voorgesteld; eene wet, die eene tweede zal behoeven, om te kunnen werken. Ten aanzien van het jachtrccht des Konings zou dezelfde aanmerking zijn gevallen, te meer, daar een geheel ander beginsel, dan hetgeen nu is voorgesteld, in de tegenwoordige wet voorkomt. De tegenwoordige wet zal worden ingetrokken, en kan men nu het daar gehuldigd beginsel behouden, om bij eene latere wet dat enkele artikel, dat van de gereserveerde Koninklijke jacht spreekt, door eene nieuwe bepaling te vervangen? Zoo men uit de wet licht hetgeen de geachte spreker weggenomen wil hebben, ik weet niet, of het tot een zuiverder systeem van wetgeving zal leiden, maar dit weet ik, dat het zeer veel omslag ten gevolge zal hebben. Indien men zoo uiterst streng wil zijn, als in een compendium eener wetenschap, waar men geene enkele paragraaf inlascht die tot een ander gebied behoort; indien men niet bij elke wet samenvat hetgeen daarbij zeer wel geregeld kan worden, wij zullen ons, ten gevolge van den telkens slechts ten deele verrichten arbeid, bij het groot aantal wetten, dat te maken is, nog een ander grooter aantal geheel nutteloos opleggen. Ik spreek in de onderstelling, dat die bepalingen inderdaad vreemd zijn aan dit ontwerp. Het komt mij evenwel niet zoo voor. Mijns inziens vordert deze wet zoodanige bepalingen, vooral daar zij bestemd is, die van 1814 te vervangen.

De geachte afgevaardigde uit Gouda (de heer Van der Linden) vereenigt zich met het hoofdbeginsel van het ontwerp, maar hij heeft onderscheidene bezwaren. Daaronder behoort het bezwaar, waarop men bij de behandeling van het artikel, dat den prijs van de acte regelt, kan terugkomen. Het zal dan de tijd zijn, uit te leggen op welke gronden, hetgeen de geachte spreker vergoeding genoemd heeft, mag worden geëischt. Ik zal dan tevens kunnen antwoorden op eene van de bedenkingen van den geachten spreker uit Drente (den heer Van der Veen). tiiorrecke , Parlementaire redevoeringen, 1x51—1s.r>2. 11

Sluiten