Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

passing zal wezen? Men zal onderzoeken, men zal de jacht laten begrooten; en eerst in vervolg van tijd zal worden voldaan, hetgeen men volgens de begrooting is verschuldigd. Maar intusschen is de eigendom verschikt, de wijze van bebouwing veranderd; wat water was, is land geworden; door sommigen is eerder afgekocht, is de koopprijs eerder voldaan dan door anderen, hetgeen invloed gehad heeft op de jachtwaarde van hetgeen overblijft. Zoo zal deze regeling, die — gesteld zij ware uitvoerbaar — misschien billijk zou wezen, wanneer zij op één oogenblik geheel voldongen werd, bij opvolging van tijd uiterst onbillijk en onrechtvaardig worden, en tijd zal toch voor den geheelen afloop der regeling noodig zijn.

Ziet daar, Mijne Heeren, hoe ik de zaak beschouw. Ik heb er ernstig over nagedacht, en de zaak op nieuw overwogen na de bedenkingen gisteren door den geachten spreker uit Gelderland geopperd. Maar ik geloof niet, dat wij bij de wet zoodanige verplichting zouden kunnen stellen, welke hem, die op dit oogenblik wordt gedrukt door het jacht- of vischrecht, dat derden op zijn grond hebben, zou verbinden tot den afkoop over te gaan. Ik wensch dat de afkoop algemeen en spoedig geschiede. Maar een ander middel om daartoe te geraken dan het belang te doen spreken van hen, die er het meest bij zijn betrokken, — een ander middel weet ik niet in te voeren, hetzij dan bij deze, hetzij bij eene speciale wet.

De lieer Van Lynden was niet goed begrepen; hij meende dat, „welke ook de oorsprong van het jaehtrecht was, dit, zoodra het door eene dertigjarige praescriptie was verkregen, zon moeten vallen in het gemeene recht en niet onderworpen worden aan een gedwongen afkoop." De heer Van Goltstein ontwikkelde twee stellingen; de eerste, dat niet, gelijk de minister het deed voorkomen, alle jaehtrecht was heerlijk recht; de tweede, dat art. 641 1>. W. niet een zoo onafscheidbaar verband legde tusschen grondeigendom en jaehtrecht, dat geene verbreking geoorloofd zonde zijn. Waartoe, vroeg hij, werd anders in het laatste lid van art. 3 voorgesteld, dat „bij vervreemding het jacht- en vischrecht niet van den eigendom van den grond of het water kon worden afgescheiden"? De heer Mackay kwam nader voor zijn amendement op.

Amendement van den heer Wintgens, in de eerste zinsnede van hetaitikel tusschen het woord „het" en de woorden „jacht- en vischrecht" te plaatsen het woord „heerlijk".

Het tweede amendement van de commissie van rapporteurs strekte om tusschen het 3de en het 4 de lid van het artikel een nieuwe zinsnede in te voegen: „Bij de waardeering van gedeeltelijken afkoop van jacht- of vischrecht, wordt acht gegeven op de mindere waarde, welke voor de niet-afgekoehte rechten het noodzakelijk gevolg van den afkoop is."

Ik wensch het geduld der Vergadering niet op de proef te stellen, maar het is de taak van den Minister te antwoorden. De Minister moet de parlementaire heuschheid betrachten, en het schijnt soms niet heusch, wanneer eene gemaakte bedenking geen antwoord vindt.

Sluiten