Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ik zal zeggen waarom. In den jare 1819 zijn, ik geloof de laatste, domeingronden onder Naaldwijk verkocht. Na den verkoop heeft men ontdekt, dat door den Staat, door het domein, het jachtreeht niet was voorbehouden. Ten gevolge van een Koninklijk besluit is men daarop teruggekomen. Men heeft van de koopers van die domeingronden het jachtreeht afgekocht, om het te vereenigen met het overig heerlijk jachtreeht, dat daar ter beschikking was van den Koning, ten gevolge van de wet van 1814. Onder die koopers van domeinen was ook een heer Van der Trappen, wellicht de vader van den tegenwoordigen verzoeker. Ook deze kooper heeft eene schadeloosstelling ontvangen voor de retrocessie van het jachtreeht, en nu, meen ik, blijkt uit de geschiedenis van die zaak volkomen, hetgeen ontkend wordt door de rekestranten, namelijk dat er domaniaal heerlijk jachtreeht onder Naaldwijk bestaat. Dit, dunkt mij, moest vooral hun kenbaar wezen. Dat jachtreeht strekt zich verder uit dan over die toen verkochte domeinen, en alleen omdat men het toen ter tijd betreurde, dat met het overige jachtreeht van het domein aldaar het jachtreeht op de verkochte domeinen niet vereeinigd bleef, heeft men later tegen eene niet onaanzienlijke som doen retrocedeeren. Uit die handelingen van 1819 en 1820 blijkt dus, dat er een domaniaal jachtreeht bestaat, hetgeen toen onder andere van de familie Van der Trappen, van de familie Pijnacker door den Staat is gekocht. Zietdaar, waarom ik geloof, dat de redenen, door de rekestranten bijgebracht, van geen waarde kunnen wezen, om in het eerste gedeelte van dit artikel eenige verandering te brengen.

De heer Van Akerlaken komt terug.

De geachte spreker schijnt de juistheid te erkennen van de reden, die ik de eer had aan de Vergadering mede te deelen; van de reden hierin gelegen, dat er eene geslotene overeenkomst bestaat die het effect kan hebben, dat het jachtreeht van Borculo aan een zedelijk lichaam worde toegekend. Maar, zegt hij, wanneer men aan den Koning dat recht wil voorbehouden, totdat öf verkoop öf afstand aan dat zedelijk lichaam plaats zal hebben, dan kon men eene andere uitdrukking gekozen hebben; men kon gezegd hebben: voor zoover deze niet zullen worden afgestaan of verkocht. Mijne Heeren, dit kon niet; want zoo het onder c wierd geplaatst, men zou het evenzeer moeten stellen bij de andere domaniale gronden, in dit artikel vermeld. Worden deze verkocht of vervreemd, dan houdt daar het jachtreeht des Konings op, want dan wordt ook dit jachtreeht verkocht of vervreemd. Hetgeen daar wordt gezegd, heeft alleen betrekking tot de domeingronden, zoolang zij domeingronden blijven. De reserve zou dus onder c niet kunnen worden opgenomen, of wij zouden ontkennen ten aanzien der andere domeingronden; hetgeen

Sluiten