Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prijs eener jachtacte zal moeten betalen. Welnu, Mijne Heeren, mijn antwoord daarop is gereed: vindt men er zijne rekening niet bij, men zal dan geene jachtacte nemen. Het geldt hier bedrijven, die, naar mij toeschijnt, geene ondersteuning behoeven, omdat zij niet in de behoefte van de onvermogenden te gemoet komen, zooals het geval is met het vischbedrijf, waarvan in het tweede gedeelte van het amendement wordt gesproken. Bovendien ook hier geldt, alhans eenigszins, hetgeen bij het stellen van den prijs van de jachtacten in het oog is gehouden: de conservatie van de jacht. Geeft men dit jachtbedrijf aan elk en een iegelijk vrij, wat zal het gevolg zijn? Dit zijn de redenen, die er voor pleiten, om ook hier eene zeer matige, eene kleine bijdrage te behouden.

Het eerste gedeelte van het amendement komt mij echter minder onaannemelijk voor dan het tweede gedeelte. Ik merk vooreerst op, dat noch door den spreker uit Gelderland, noch door het geachte lid van de Commissie daarvan gewag is gemaakt, dat nu het vissclien met den hengel geheel is vrijgesteld. Mij dunkt, hiermede is genoeg te gemoet gekomen; verdere tegemoetkoming zou niets anders wezen dan bevordering van misbruik. Die minvermogenden, of kennelijk onvermogenden, zooals het amendement zegt, behoorlijk te onderscheiden van anderen. Mijne Heeren! het is niet mogelijk. Ik weet hoeveel geschillen in den laatsten tijd hebben plaats gehad, hoeveel onderzoek in de laatste jaren bij mijn departement is gepleegd, alleen ten aanzien van attesten van onvermogen. Die attesten worden in den regel zonder eenige kritiek afgegeven, en ik moet erkennen, kritiek is ook niet mogelijk. Of hij, dien men gemeenlijk als arm beschouwt, inderdaad zoo onvermogend is, dat hem kosteloos vergunning moet worden verleend, het zal in den regel met geen genoegzame zekerheid kunnen worden uitgemaakt; zulke attesten zullen dus op eene oppervlakkige informatie, zeer dikwijls bij gunst, worden afgegeven. De Commissie zegt, hiervoor dient het onderzoek van den Commissaris des Konings. Maar wanneer het voor den burgemeester, voor den commissaris van politie, zelfs voor den wijkmeester soms onmogelijk is geweest, over het vermogen of onvermogen van een individu met juistheid te oordeelen; welk meerder licht zal de Commissaris des Konings met al zijne bureaux over dat vermogen of onvermogen kunnen verspreiden? Hetgeen de Commissie verlangt, zal dus, mijns inziens, tot loutere willekeur leiden. Het gevolg zal zijn dat hij, die vraagt, die aanhoudt, die zoo een attest van onvermogen weet te verkrijgen, zoodanige acte voor niet zal hebben, terwijl de achtenswaardige man, die met moeite betaalt, maar toch wel wil betalen, de acte niet dan tegen den gestelden prijs zal erlangen. Zoodanige willekeur moet zooveel mogelijk worden geweerd.

Op die twee gedeelten van het amendement van de Commissie zijn amendementen voorgesteld door de geachte sprekers uit Leeuwarden

Sluiten