Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geachte spreker heeft dat laatste woord wel niet gebruikt, maar ik mag het afleiden uit den zin zijner rede. Het doel van de wet is geenszins uitsluiting van boerenplaatsen. Wanneer hier gesproken wordt van lusthoven of buitenplaatsen, door muren, schuttingen, rasters of grachten geheel afgesloten, dan zal iedere plaats, op die wijze afgesloten, dus ook eene boerenplaats, vallen in de termen van dit artikel, waar het jagen zonder jachtacte veroorloofd is. Om dit aan te dringen, moet ik opmerkzaam maken op een punt, waarop ik aanstonds zal terugkomen, met betrekking tot de vraag van het geachte lid uit Eindhoven (den heer Van der Heijde). Ik bedoel de reden van de bewoordingen: „door muren, schuttingen, rasters of grachten geheel afgesloten." De reden is, dat zoodanige sluiting geen doortocht voor het wild openlaat. Of nu eene plaats, aldus afgesloten, een lusthof of eene buitenplaats, in den engeren zin van het woord, is, dan wel eene boerenplaats, het doet niets tot de zaak. Die eerste reden voor het amendement vervalt dus. In de tweede plaats heeft de geachte spreker gezegd, de bepaling wat eene gracht is, zal vele moeilijkheden opleveren in de toepassing. Ik geloof, dat de moeilijkheden in de toepassing veel minder zullen zijn, dan wanneer men over het begrip van gracht gaat redeneeren, en zich voorstellen op hoe velerlei wijze dat begrip kan worden uitgelegd. Met het oog op het door mij zooeven aangegeven denkbeeld, dat bij het omschrijven der afsluiting tot leidraad strekte, zal door de provinciale Staten de breedte van de gracht worden bepaald. Nu zegt de geachte spreker, het is mogelijk, dat eene gracht op een enkel punt die bepaalde breedte niet hebbe, wat dan? Zoo deze bepaling, uit hoofde van dergelijke moeilijkheid in de toepassing, moest worden verworpen, men zou zeer vele bepalingen moeten verwerpen. Maar ik geloof, de moeilijkheid zal niet bestaan. De gracht moet eene afsluiting zijn, die den doortocht van het wild belet, en daarop zullen de Provinciale Staten bij de bepaling der breedte letten. Mocht de breedte op een enkel punt der gracht ééne lijn of een paar lijnen minder zijn, ik geloof niet, dat de opziener zulk een meetkundig oog zal hebben, om het verschil op te merken.

De geachte spreker heeft in de derde plaats dit tegengeworpen: de eigenaar eener afgesloten plaats zal toch niet kunnen jagen in gesloten jachttijd: men kan dus den opziener niet geheel van dergelijke gesloten plaatsen afhouden; zoo nu het doel is om ze voor den opziener ontoegankelijk te maken, het doel zal toch niet kunnen worden bereikt. Ik antwoord, hetgeen zeer te recht is aangedrongen door het geachte lid uit Leiden (den heer Gevers van Endegeest): afgesloten plaatsen behooren — de eerbiediging van het recht van den eigendom, van de vrijheid van omgang in die plaatsen vordert dit — niet zonder de uiterste noodzakelijkheid door den opziener der jacht te worden bezocht. En zal het nu zoo noodzakelijk zijn, dat in die plaatsen

Sluiten