Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die wijze, als de Commissie wil, het beginsel, dat de acte persoonlijk is, loslaat; wanneer men de acte niet alleen aan inwonende zonen, onverschillig van welken ouderdom, maar ook aan bedienden laat overgaan. Ten aanzien van bedienden inzonderheid bestaan tegen het overgaan der acte vele bezwaren: bedienden zijn de zoodanigen, die in dienst zijn van hem, op wiens naam de acte is genomen, onverschillig voor hoe lang. Hij die voor het oogenblik in dienst wordt gesteld om te visschen, zal ook bediende zijn, en zoo zal de acte van de eene hand in de andere kunnen overgaan en voor een aantal menschen kunnen dienen. Tot dergelijk misbruik zal het amendement, wordt het aangenomen, aanleiding geven. Uit dezen hoofde en om de overeenstemming te bewaren met het beginsel vastgesteld bij art. 7, is het, geloof ik, noodig, dat in deze uitbreiding niet worde getreden. Dat de boerin, die de netten komt nazien, den vorigen dag door den boer gesteld, aanstonds zou worden bekeurd, het is eene overdreven voorstelling. Dat bezwaar zal, ook indien het amendement niet wordt opgenomen, niet ontstaan. Daarentegen zou dat amendement bij de uitvoering der wet hieraan blootstellen, dat men niet zal kunnen tegengaan, dat de acte van de eene hand in de andere wandele en dus voor verschillende personen diene, in strijd met het goedgekeurde beginsel. Ik durf dus niet adviseeren, om dergelijk amendement aan te nemen.

Oe Commissie van Rapporteurs wenseht thans te lezen, „voor inwonende zonen of bedienden van visschers van beroep, mits" enz.

Amendement van den heer Van dei' lleijde.

Het terrein van strijd tusschen de Commissie en mij is beperkt door de verandering, die de Commissie gemeend heeft in haar voorstel te moeten brengen. Ik zou uit heuschheid, uit erkentelijkheid voor de verbeteringen der wet, waartoe de Commissie op meer dan één punt aanleiding heeft gegeven, uitstekend genegen zijn mij vóór dit amendement te verklaren. Zoo ik er mij niet voor verklaar, het geschiedt omdat ik meen deze groote inbreuk op het beginsel der wet niet te kunnen aannemen.

Er zou nu staan: „voor inwonende zonen of bedienden van visschers van beroep". Eene eerste aanmerking betreft de uitdrukking: „visschers van beroep". Die woorden, in eene wet gebezigd, moeten eene bepaalde beteekenis hebben, en waar is die te vinden? Men schept eene klasse van menschen, die niet te onderscheiden is. Zegt iemand, ik ben visschcr van beroep, waaraan zal men toetsen of dit zoo is? Iemand vischt 50, 60 of 80 malen 's jaars en verkoopt zijn visch; zal dit genoeg zijn om hem door den commissaris des Konings als visscher van beroep te doen erkennen? Ik ben zeer huiverig om te adviseeren dat men zoodanige benaming bezige, daar geene genoegzame om-

Sluiten