Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den grondeigenaar zal dus niets baten. Alzoo zal het amendement zijn doel niet bereiken en reeds daarom is het onaannemelijk, al ware het op zich zelf niet af te keuren, dat men de particuliere opzieners in den publieken dienst van de jacht betrekke, en vreemde erven late betreden. Het is aangenaam voor den eigenaar, zoo zijn opziener ook in Jen omtrek van den grond kan medewaken. Maar de grondeigenaren zullen het doel, dat men wil, langs een anderen weg kunnen bereiken. Zij behoeven zich slechts te vereenigen om gezamenlijk één of meer opzieners door den Minister van Binnenlandsche Zaken te laten aanstellen. Op die wijze zal men binnen zekeren kring kunnen bereiken, hetgeen nu zou worden verkregen in fraudem legis, en tegen de duidelijke bestemming van den dienst dier opzieners.

Zooals het artikel luidt, vreest de lieer v. Zuylen v. Nijevelt, zal liet onmogelijk zijn jachtdelicten, gepleegd op de gronden in art. \ïb genoemd te constateeren. '

Ik zou volstrekt niet hechten aan het bezwaar, door den laatsten geachten spreker (den heer Van Zuijlen) geopperd. De schijnbare strijd ontstaat uit de opvatting, dat onbezoldigde opzieners zijn gelijk te stellen met publieke opzieners. Maar men houde de bijzondere bestemming van die particuliere opzieners wel in het oog. Zij worden op verzoek van de grondeigenaars aangesteld, om op hunne gronden te waken, en daar buiten gaat hun werkkring niet. De laatste alinea van art. 3< spreekt in het algemeen van hen, die met het publieke toezicht op de jacht en visscherij zijn belast.

viul aen neer v. JNispen v. Sevenaer wordt met 30 ten-en

16 stemmen verworpen.

Art. 40. „De relazen of processen-verbaal", zei het ontwerp, „worden door of namens de administratie aan den bevoegden ambtenaar van het O. M. ingezonden, ten einde volgens het Wetboek van Strafvordering te worden behandeld en vervolgd.

„Ingeval echter de overtreding enkel bestaat in het jagen of visschen op eens anders grond of in eens anders water, zonder schriftelijke vergunning van den eigenaar of rechthebbende, kan deze de strafvordering of rechterlijke beslissing wegens het misdrijf voorkomen door eene schriftelijke verklaring dat hij wegens het feit, aan den beklaagde ten laste gelegd, geene aanklacht doet.

„De verklaring, waardoor de strafvordering vervalt, wordt vóór de uitspraak aan bovengenoemden ambtenaar ingediend.

„De rechtskosten verblijven ten laste van den beklaagde."

Zoo de rechtskosten blijven ten laste van den beklaagde, meent de heer Ypeij, is het ook wenschelijk, dat deze zelf de verklaring inlevere. Hij stelt voor te lezen: „kan de beklaagde de strafvordering voorkomen door het indienen eener schriftelijke verklaring van den eigenaar of rechthebbende, dat hij ... geene vervolging verlangt."

Thobbecke, Parlementaire redevoeringen, 185-1—1852. 10

Sluiten