Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch gebeuren. Het Gouvernement zal dan toch den dienstijver moeten afmeten naar het getal van de bekeuringen. Naar het getal der bekeuringen zal het Gouvernement oordeelen, of die buitengewone belooning zal worden toegekend. Wanneer dit nu het geval is, dan ontgaan wij immers toch de gevolgtrekking niet, die de geachte spreker wenscht vermeden te zien, dat namelijk de opziener belang heeft bij de veroordeeling, omdat hij daardoor een titel verkrijgt op eene buitengewone belooning. Wij ontgaan dus toch niet de verdenking, waarin de opziener uit dien hoofde zal kunnen komen, hetzij bij den rechter, hetzij bij een ander. Het komt mij dus voor, dat het amendement zijn eigen doel niet zal bereiken. Ik durf mij dus met dat amendement niet vereenigen. Maar ik stel voor het begin der laatste alinea van art. 50 aldus te lezen: „Aan de opzieners en beambten kan, op de wijze en tot het bedrag, nader door Ons te bepalen, eene premie worden toegekend."

Ik meen in de laatste plaats te moeten voorstellen, dat aan het slot van art. 50 eene andere uitdrukking worde gebezigd. Ten gevolge van de wijziging aan het einde van de tweede alinea van art. 40 zal hier, in den laatsten regel, in plaats van: „op verzoek'''' moeten worden gesteld „op de verklaring".

De heer Van Eek verdedigt zijn araendement nogmaals.

Ik moet nog terugkomen op de veranderde lezing van het slot van art. 50. Daar zal, in verband met het aangehaalde art. 40, in plaats

van den grondeigenaar, moeten worden gelezen: den grondeigenaar of rechthebbende.

De geachte spreker heeft nu zijn amendement aangedrongen door deze bedenking, die inzonderheid bij de Regeering moest wegen: Het geeft haar ruime macht. Maar, Mijne Heeren, "die ruime macht behoeft niet bij deze wet te worden gegeven. De Regeering heeft, ook zonder dat de wet er iets van zegt, de macht premiën toe te kennen, belooningen te geven tot een hooger of lager bedrag. Maar de vraag is hier, of men bij de wet aanmoedigingen zal verzekeren, voor ambtenaren, die tot dusverre hun aandeel in de bekeuringen hadden. De Regeering wordt, vooral na de verandering, die het artikel heeft ondergaan, door het amendement van den geachten spreker ook niet vrijer. De Regeering heeft volgens het artikel dezelfde vrijheid, omdat er omstandigheden kunnen wezen, dat inderdaad voor eene bekeuring geene buitengewone premie behoort te worden toegelegd. Is de bekeuring geene belooning waardig, dan moet het der Regeering vrijstaan die niet te geven. Maar men mag aan den anderen kant het stellig vertrouwen op die vermeerdering van inkomen, die het gevolg zal zijn van eene trouwe plichtsvervulling, van ambtsijver, niet wegnemen.

Sluiten