Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitspraak van den geachtcn spreker uit Leeuwarden. Doch ieder Groninger rechtsgeleerde, beweert hij, verschilt van den ander. Ik doe een beroep op hetgeen hij zelf heeft gezegd. De geachte spreker heeft verklaard, de kennis, ten aanzien van dat recht aan den dag gelegd door den heer Gockinga, zijn academie-vriend, thans lid van den Hoogen Raad, te eerbiedigen, en nu heb ik hem naar diens systematische verhandeling over het recht van beklemming verwezen.

De geachte spreker is teruggekomen op hetgeen hij heeft gezegd, toen hij deze wet eene politiewet noemde. Ik meen, hij heeft ze willekeurig zoo genoemd. Wanneer hij nu zonder grond dien naam aan deze wet verkiest te geven, dan kan dit voor het Gouvernement geene reden zijn, om zich te beperken tot hetgeen in dat begrip valt. In hare voornaamste bepalingen gaat deze wet de grenzen eener politiewet te buiten, en om die voorname bepalingen is de wet vooral voorgedragen, niet in de eerste plaats ten einde eene andere regeling te verkrijgen omtrent hetgeen in het bedrijf van de jacht en de visscherij zelve ingrijpt.

Vervolgens heeft de geachte spreker de overdrijving, waaraan hij zich, naar mij voorkomt, in zijne eerste rede heeft schuldig gemaakt, nog verder gedreven. Hij heeft nu gezegd, dat de heer Tammo Sypkens jaren lang bezig is geweest met het opstellen van bepalingen betreflende het recht van beklemming, dat hij er niet in heeft kunnen slagen, en geëindigd is met zoodanige onbestemde bepaling voor te dragen als nu in het Burgerlijk Wetboek is vervat; hij heeft gezegd, dat het onmogelijk is geweest, in het Burgerlijk Wetboek eene regeling van het recht van beklemming te brengen. De geachte spreker vergeve het mij, maar ik geloof dat het zeer wel mogelijk ware geweest, wanneer men met ernst eene regeling had gewenscht, die eene groote weldaad voor de provincie Groningen zou zijn geweest. Ik meen, dat het nalatigheid is geweest, dat men in het Burgerlijk Wetboek de regeling van het beklemrecht niet heeft opgenomen. Het is niet te verwonderen, dat men zich van een moeilijk punt heeft willen afmaken. Maar om nu, op grond dat het niet is geschied, te zeggen, dat het onmogelijk was, dit is de overdrijving ten top voeren.

De geachte spreker vraagt: welk verband is er tusschen hetgeen de Minister zeide omtrent het jachtrecht in de provincie Groningen en het recht van beklemming? Er is een zeer natuurlijk en noodzakelijk verband, evenzeer als tusschen het eerste en tweede lid van art. 54. Ik zal vooraf dit opmerken. De geachte spreker heeft verklaard niet te hechten aan de eerste alinea; maar een ander, zeide hij, zou er belang in kunnen stellen en nu gaf hij aan den Minister in bedenking die twee alinea's in twee artikelen te splitsen. Dit is zeer heusch, maar hij had, in stede van dat verzoek aan den Minister te doen, zelf een amendement kunnen voorstellen. Dit was, dunkt mij, een meer natuurlijke weg.

Sluiten