Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en waarom zou het hier niet gelden? Het is een beginsel, aangenomen niet alleen ten aanzien van diensten van liet algeineene Gouvernement, maar ook ten aanzien van alle diensten, welke de provinciën of de gemeenten bewijzen aan particulieren, evenzeer als het geldt bij den particulier ten aanzien van de diensten, door hem aan andere bijzondere personen verstrekt.

De geachte spreker heeft in de laatste plaats eene vraag geopperd, waarvan ik de beantwoording zal verbinden met het antwoord op hetgeen is aangemerkt door den geachten afgevaardigde uit Nijmegen (den heer van Nispen van Sevenaer).

De geachte spreker uit Utrecht heeft een systeem ontwikkeld, juist tegengesteld aan dat hetgeen de spreker uit Zwolle voorstond. De laatste had gezegd: de Staat zal te weinig doen, en nu zogt de geachte spreker uit Utrecht: de Staat doet te veel; de Staat gaat hier treden op het gebied der bijzondere nijverheid; men kon deze ondernemingen, deze verbindingen gerustelijk aan de bijzondere nijverheid overlaten. Hij meent, een van twee is waar: er bestaat behoefte aan telegrafische gemeenschap, öf zij bestaat niet; is het laatste hot geval, dan moet de Staat dergelijke inrichtingen ook niet aan'egneni want het is te veel, alléén voor de behoefte van de Regecring telegrafische correspondentiën op te richten; bestaat de behoefte wezenlijk, de particuliere vlijt zal er in voorzien. Mijne Heeren, het is het oogmerk van de Regeering hoegenaamd niet, dat de telegrafische correspondentie vooral en hoofdzakelijk in het belang van den Regeeringsdienst zou worden opgericht. Het voorname doel is bevordering van het bijzondere verkeer. De geachte spreker, zeggende: dan zullen de particulieren voorzien: heeft wel gedacht, dat men hem zou kunnen tegenwerpen hetgeen de Staat doet ten aanzien van het brievenvervoer. Daarom heeft hij zorg gedragen, dit geheel ter zijde te stellen. Maar er zijn andere voorbeelden, ook juist uit dezen kring der middelen van gemeenschap te ontleenen, te weten: de wegen. Stelt een land, waar geene wegen zijn, of waar de gemeenschap door wegen uiterst gebrekkig is. Zal men, zoo zich daar de behoefte aan eene betere gemeenschap opdoet, wachten totdat de particulieren hier en daar wegen leggen? Of zal van Staatswege het voorbeeld worden gegeven ten minste op de gróote lijnen van gemeenschap? Heeft dit niet alomme plaats gehad, en behoort het niet zoo? Mij dunkt, het behoort zoo. Daar, waar een groot geheel moet worden tot stand gebracht, een samenhang van werken, waaraan dadelijke behoefte bestaat en van particulieren niet te wachten dan na lang verloop van tijd, daar is het de plicht van de Regeering, te doen hetgeen anders zou kunnen worden verwacht van al de particulieren, samenwerkende. De particulieren werken niet eensklaps samen, vooral niet op het tijdstip dat de behoefte zich voordoet. Zij werken bij opvolging; wellicht zullen zij samenwerken over twintig, dertig jaren. Maar zoo thOrbecke, Parlementaire redevoeringen, 1851—1852. 18

Sluiten