Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben. Hij heeft geen verzoek aan mij gericht. Derhalve, aJ had ik hier gezeten, ik zou mij in de discussie niet hebben gemengd, niet om daardoor te kennen te geven, dat ik die bepalingen niet goedkeurde, maar om niet te treden op het gebied, in de taak van een ander. Ik zou het niet aangenaam vinden, ik zou het niet dulden, dat een mijner ambtgenooten zich belastte met de verdediging van' eene wet, door mij ingediend. Heb ik zijne voorlichting of hulp noodig, ik zal die vragen. En zoo zal ik ook van mijne zijde, alvorens de verdediging op mij te nemen van een ontwerp, van een ander uitgegaan, het verzoek daartoe van mijn ambtgenoot afwachten.

De geachte spreker heeft, met betrekking tot die inmenging van het voorstel omtrent het bouwen in den omtrek der vestingen in de discussie over dit ontwerp betreffende de electro-magnetische telegrafen, gezegd: wij doen wat wij mogen doen. Het oordeel, of dat met de orde bestaanbaar is, is niet aan mij. Ik neem aan, dat het met de orde volkomen overeenstemt, bij gelegenheid van de behandeling eener wet te resumeeren de beraadslagingen, vroeger gehouden over andere wetten, dan is dit toch voor mij, die deze discussiën niet bijwoonde, een niet zeer aangename stand. Ik heb nu duidelijker begrepen, dat de geachte spreker enkele bedenkingen heeft geopperd tegen die wet, en gaarne wenschte dat die bedenkingen gaaf bleven, ook bij de aanneming van deze wet. Hij is huiverig eenige woorden in deze wet toe te laten, waaruit men zou kunnen afleiden dat zijne bedenkingen betrekkelijk die wet als niet volkomen juist werden beschouwd. De geachte spreker wenschte in het midden te hebben gelaten of onteigening is, zooals ik de eer had te zeggen, het brengen van den eigendom van een goed van den een öp den ander, dan wel of onder onteigening kan worden verstaan iedere belasting, iedere beperking van den eigendom. Ik kan nog niet inzien, dat de geachte spreker, om dat doel te bereiken, iets door de verplaatsing wint. En ik moet nogmaals tegenspreken het trachten van den geachten spreker om in het midden te laten wat onteigening is. Wij moeten dit niet in het midden willen laten; wij kunnen het niet, want de vraag is reeds vroeger beslist. Ik beroep mij andermaal op de wet regelende de onteigening en waag ook een beroep te doen op het geheugen van den geachten spreker. Hij ga na de onderscheidene bepalingen ten aanzien van de verklaring van algemeen nut, van de schadeloosstelling, van de inbezitneming, en hij, die zelf zulk een werkzaam deel heelt genomen aan de behandeling dier wet, zal mij toestemmen, dat in haar niet één artikel is, niet ééne enkele letter voorkomt, die het denkbeeld zou kunnen doen rijzen, dat onder onteigening iets anders moet worden verstaan dan ontneming van een stuk goed, in den regel onroerend, in enkele gevallen ook roerend goed. De maatregelen, welke de wet op de onteigening voorschrijft, hebben geen zin in de gevallen, die hij onder onteigening wil brengen. Ik herinner

Sluiten