Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrij zijn, maar prijsgegeven aan de voorwaarden, welke die ondernemingen haar zouden willen stellen. Men zal nu zien, waartoe die onderhandelingen zullen kunnen leiden. Is het mogelijk den publieken dienst met den dienst van die ondernemingen te verbinden, het zal gebeuren en dan zullen de tegenwoordige telegrafen van bijzondere ondernemingen uitbreiding dienen te erlangen. Voor het geval echter dat het niet mogelijk is, moet de Regeering de middelen bezitten om in dezelfde richting een eigen dienst aan te leggen.

Eerste Kamer. 4 Maart. Beraadslaging over het wetsontwerp tot regeling der jaciit en visscHERiJ. Is het jacht- en vischreclit eigendom, die niet dan volgens art. 147 der grondwet kan worden ontnomen? De heer Van der Lek de Clercq meende dit, en rekende de verplichte afkoopbaarstelling met dit beginsel in strijd. De heeren Cost Jordens en De Brauw maakten onderscheid tussclien heerlijk jacht- en vischreclit en zoodanig recht dat verkregen was op civielrechtelijke wijze. Het eerste kon volgens art. 4 der additioneele artikelen, zeiden zij, worden afgeschaft; het andere afkoopbaar te stellen, noemden zij inbreuk maken op verkregene rechten. De partieele afkoop bezwaarlijk? Opheffing van het publiek jachtveld. Men zei, de jacht op gronden waarvan de eigendom niet door afpaling was kenbaar gemaakt, behoorde vrij te blijven. De lieer Van Eysinga meende, de wet ging uf te ver óf niet ver genoeg; te ver, indien men het jacht- en vischreclit beschouwde als uitvloeisel van den eigendom; immers dan moest de eigenaar, wanneer de jachtakte betaald was, geheel vrij blijven om te jagen op de wijze welke en wanneer hij verkoos. Niet ver genoeg wanneer men de jacht als eene tak van industrie of als uitspanning beschouwde; in dat geval behoorde het jachtrecht door afpaling te worden kenbaar gemaakt, anders ware het onmogelijk. Onschendbaarheid van den eigendom. De heer v. Eysinga zeide, art. 153 der grondwet sprak alleen van woning, en waar de grondwet onderscheid maakte, behoorde de wetgever dit ook te doen. De bepaling der grondwet was duidelijk en de omstandigheid, gelijk zich 's anderen daags voordeed, dat 42 leden zus en 46 leden anders in de grondwet lazen, was ten opzichte van dit artikel toch zeker onmogelijk. Jachtrecht van den beklemden meier. Verbod om te jagen in den kring van eendenkooien. Transactie (in strafzaken). Schriftelijke toestemming tot jagen; waarom niet mondeling? .Jacht onder Soestdijk.

De Minister, die de taak op zich neemt eene jachtwet voor te dragen, heeft eene zware taak te vervullen. Zoo dit niet uit de discussiën van deze Kamer ware gebleken, het ligt in den aard der zaak. Hij, die eene jachtwet ontwerpt, heeft zeer onderscheidene, zeer verschillende, in vele opzichten strijdige belangen te vereenigen en te regelen; de rechten van den grondeigenaar, de belangen van den landbouw, de eischen van de jacht, hetzij als nijverheid, hetzij als edele uitspanning beschouwd. Zich te durven voorstellen, dat men eene regeling kunne leveren die allen evenzeer bevredige, ik geloof, men zou niet alleen van zich zeiven, men zou van een ieder, wien ook, te veel vergen.

Sluiten