Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schenken. Er werd gezegd, dat die spreekwijze niet in de Grondwet mocht voorkomen, omdat zij zoodanige beperking van eigendom, zoodanige vermindering van het recht van beschikking, gebruik en genot, zou uitsluiten als altoos aan den wetgever moet vrijstaan. Bleef de uitdrukking, dan zou inen wellicht zeggen, dat bij iedere beperking van het genot van den eigendom onteigening noodig was. Daarom is kort, krachtig en juist geschreven: „niemand kan van zijn eigendom worden ontzet", en niets meer.

De geachte spreker beweert, indien het stelsel van den Minister opgaat, dan zal nooit onteigening noodig zijn, dan kan alles worden genoemd oplegging van een last. Zoolang onze begrippen niet geheel en al verward zullen wezen, zal er eene duidelijke grens blijven bestaan tusschen het opleggen van een last, waarbij de eigendom blijft, het opleggen van eene dienstbaarheid ten algemeenen nutte, en den verplichten overgang van eigendom van den een op den ander. Wat heeft de eigenaar aan den grond, waarop het servituut van voet- of jaagpad ligt? Ja, hij kan het grasgewns der boorden oogsten, maar welk ander gebruik heeft hij? Hier bestaat een zwaar servituut, en het is niettemin steeds als zoodanig beschouwd. Nog niemand heeft tot dusverre, hetzij in praktijk, hetzij in theorie, beweerd, dat er geen grens bleef tusschen het ontnemen van den eigendom van een stuk goed en het leggen van een last, hoe groot ook, op den eigendom. De geachte spreker zegt, dat spoorwegondernemers dan zeer gemakkelijk zouden kunnen vorderen, eene aarden baan, als last, op eens anders grond te leggen. Ik geloof, men zou zeer spoedig stuiten, wanneer men den spoorwegondernemer wilde aanraden zulk een besluit te nemen. Hij die eigenaar bleef, zou dan dien grond kunnen verkoopen; de beschikking zou worden beperkt in de handen van den spoorwegondernemer, en deze moet de volle beschikking hebben om den grond tot een publiek werk te maken; vandaar dat volgens onze wet onteigening wordt vereischt.

De geachte spreker heeft in zijn stelsel subordinaat bezwaar gemaakt tegen het artikel, omdat daarbij geene formaliteiten waren voorgeschreven, omdat nu eene zeer groote willekeur zou zijn overgelaten. Het is, zegt hij, de Minister die de richting bepaalt; het is de Minister die den eigendom aanwijst waarover de lijn zal loopen Ik moet hem vooraf twee punten herinneren: 1°. noch de Minister noch iemand zal ooit de voorkeur kunnen geven aan het leggen der draden over particuliere eigendommen, zoo dit kan worden vermeden; 2°. '>ij den aanleg van een weg zal men de kortste lijn zoeken, maar bij telegrafen is dit geheel onverschillig; de draad zal iets langer zijn, zoo men een omweg maakt, maar voor de correspondentie is het onverschillig, zoodat men particulier eigendom meestal zal kunnen ontgaan. Wat nu de willekeur betreft, die bij het leggen der draden over particuliere eigendommen kan plaats hebben, ik geloof, dat de

Sluiten