Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wanneer, althans aan het Gouvernement, de bevoegdheid word ontnomen, daar, waar de draad alleen over een particulier stuk gronds kan worden gelegd, do verbinding zoo tot stand te brengen, dan is de zaak, mijns inziens, onuitvoerbaar, tenzij men van het inrichten van deze electro-magnetische telegrafen eene zaak wil maken als het leggen van spoorwegen is. Maar dan is deze wet niet genoeg, dan moet men hier komen met eene wet, die de geheele richting van het werk aanwijst, om dan op de bijzondere punten, waar dit noodig is, tot onteigening te komen. Daargelaten nu den omslag en het tijdverlies, door menigvuldige processen veroorzaakt, welk eene verwarring zal het niet in de particuliere huishouding brengen? En waartoe zal het dienen, die particuliere gronden te onteigenen? De eigenaars hebben geen behoefte, dat hun eigendom hun ontnomen worde. Zij zullen veel liever met behoud van hun grond den last dragen, dan hun grond onteigend zien, zooals volgens den geachten spreker noodig zou zijn. Wanneer men in zes maanden tijds een electro-magnetischen draad van de kust van Ostende naar Engeland legt, dan zullen wij, wordt art. 4 aangenomen, vóór het einde van het jaar met Engeland in electro-magnetische correspondentie zijn. Maar wanneer bij aanraking van bijzondere eigendommen, onteigening vereischt zal worden, dan zal die verbinding nog jaren lang kunnen achterblijven en ik zou de uitvoering van dat stelsel niet op mij durven nemen. Het is dan niet genoeg eene wet voor te dragen voor die kleine strookjes particulieren grond, waarover de draad zou moeten loopen, maar die wet zou het geheele werk moeten omvatten en de geheele procedure van onteigening zou moeten worden gevolgd.

Mijne Heeren, ik acht dit het hoofdpunt, en ik mag niet verbergen dat het mijne innige overtuiging is: indien art. 147 der Grondwet zóó moet worden verstaan als sommigen nu beweerd hebben, dan zal er voor onderscheiden takken, en hoogst gewichtige takken van publieken dienst niet meer kunnen worden gezorgd, en ik oordeel het uitstekend gelukkig dat men zich tot dusverre door dergelijke verklaring van liet artikel niet heeft laten weerhouden. Ik moet er bijvoegen, de vaste overtuiging te bezitten, dat die uitlegging van de Grondwet te beperkend en eenzijdig is, dat art. 147 der Grondwet uitsluitend ziet op overgang van eigendom van den een op den ander. Ten slotte herinner ik nog eens hetgeen ik de eer had aan de Vergadering voor te leggen, hetgeen uit de herziening der Grondwet en uit de vergelijking van deze Grondwet met de vorige blijkt. Ik herinner dat bij de laatste grondwetsherziening deze woorden, die thans een handvat konden zijn voor de bewering van de geachte sprekers uit de residentie, uit de hoofdstad en uit Zevenaar, zijn weggevallen. Er stond: „ieder ingezeten wordt gehandhaafd bij het vreedzaam bezit en genot van zijn eigendom. Niemand kan van eenig gedeelte derzelve worden ontzet", en de Grondwet zegt nu eenvoudig: „niemand kan van zijn eigendom

Sluiten