Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de geachte spreker vergeet twee omstandigheden, die wellicht menige beschouwing van 1838 in een min ongunstig licht doen voorkomen, dan waarin zij verschijnen, wanneer slechts in aanmerking wordt genomen wat de geachte spreker heeft bijgebracht. Vooreerst, wat werd voorgesteld? Men stelde voor, met de middelen van het Land een spoorweg aan te leggen, en wat zou het zijn, wanneer — ik zeg niet dit Gouvernement, want ik zou het niet voorstellen, — maar wanneer een Gouvernement het nu voorstelde? In de tweede plaats, in welken toestand van de financiën was het, dat men voorstelde de middelen van het Land tot dat einde te bezigen? Bij het bestaan van die twee bezwaren, opperde men, gelijk het gewoonlijk gaat, eene menigte andere bedenkingen, onder andere dat men het nut van die snelle beweging niet inzag, maar de hoofdbezwaren waren niet zonder grond.

De geachte afgevaardigde heeft voorts zelf, ten aanzien van het wetsontwerp en van de Memorie van Toelichting, verscheiden bedenkingen in het midden gebracht, die ik zooveel mogelijk zal trachten uit den weg te ruimen.

Vooreerst heeft hij gevraagd, of de ondernemer van den Rijnspoorweg gedwongen was het breede spoor te kiezen? In 1847 is over de spoorwijdte der ijzeren wegen eene memorie uitgekomen van den toenmaligen fungeerenden hoofdingenieur bij den algemeenen dienst van den Waterstaat. In dat stuk vind ik afgedrukt eene missive van de directie van de Rijnspoorwegmaatschappij van 26 Augustus 1845. Het doel van die missive is de meening van de Regeering te vernemen ten aanzien van de spoorwijdte, en de Minister antwoordde, onder dagteekening van 3 September 1845: „dat het breede spoor zonder „uitzondering voor alle binnenlnndsche wegen als aangenomen kan worden „beschouwd, doch dat die breedte, voor zooveel de wegen betreft, „die naar het buitenland leiden, van af een voornaam grensstation, „afhankelijk zal blijven van de onderhandelingen met de daarbij „betrokken vreemde mogendheden." En deze beslissing is door een Koninklijk besluit van 8 October 1845 bekrachtigd.

De geachte afgevaardigde uit Zeeland heeft gezegd: het brengen van het spoor op die breedte was een misslag; het onderzoek, in 1837 ingesteld, was niet voldoende; men had op de verbinding moeten bedacht zijn. Ik wijs hem op de memorie van 1847. Dat stuk behelst de uitkomsten van het onderzoek over de voordeelen van een wijd en van een nauw spoor. Er blijkt uit dat men in 1847 minder ongunstig over een nauw spoor dacht dan vroeger, maar toch over het algemeen het wijde spoor nog voor verkieslijk bleef houden. In het antwoord van den Minister van Binnenlandsche Zaken aan de directie van de Rijnspoorwegmaatschappij, waarvan ik zoo even gewaagde, wordt te kennen gegeven, dat daar, waar onze spoorwegen in verband zouden worden gebracht met buitcnlandsche spoorwegen, op de grensstations door overlading zou kunnen worden voorzien. Zoodanige voor-

Sluiten