Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal in iedere andere verstandige vergadering gebeuren, waar sommige met-deskundigen zitten; in twijfel en zonder overwegende bezwaren zullen zij zich aan de zijde van den deskundige scharen. Eenparigheid van meening in den Ministerraad mag, geloof ik, niet worden verlangd als eene voorwaarde der aanneming van een voorstel van wet. Ik moet mij verzetten tegen dergelijke inquisitie, als daardoor over de Ministers zou worden uitgeoefend. Wanneer aan deze tafel een Minister verklaart, dat hij van eene andere meening is dan die het voorstel van wet uitdrukt, voorgedragen door een zijner ambtgenooten dan zou er grond voor dergelijke gevolgtrekking, als ik hoorde maken! kunnen bestaan. Maar te zeggen: het zou kunnen wezen dat de Minister van Financiën niet was van dezelfde meening, en daaruit het besluit op te maken, de Regeering is niet eenstemmig, en hij niet eenparige meening van de Regeering moet men zich onthouden of afstemmen, - ik geloof, Mijne Heeren, het zou zijn geruchten of, gelijk men het in het dagelijksch leven noemt; praatjes in de parlementaire discussie mengen, die geen richtsnoer mogen zijn om het gedrag van den vertegenwoordiger te regelen. De Minister van Financiën moge zich tegen het voorstel verklaard hebben, de Kamer heeft dit, meen ik, niet te onderzoeken. Die Minister echter zal zich mogen verblijden, indien bij de overweging eener wet van zijn werkkring in deze Kamer zooveel waarde aan zijn gevoelen zai worden gehecht als thans gedaan wordt door sommige leden ten aanzien van een ontwerp, dat niet rechtstreeks tot het gebied van den Minister van Financiën behoort.

Men heeft ook gezegd: wij willen niet te doen hebben met den Minister, wij willen te doen hebben met de Regeering; wij willen niet individualiseeren. Zij die zóó spreken, Mijne Heeren, zijn juist degenen die individualiseeren; zij willen onderzoek doen, hoe in een Ministerraad, omtrent een of ander voorstel van wet deze of gene gesproken of gestemd heeft. Maar hij individualiseert niet, die zegt dat de Minister, die het voorstel van wet heeft gedaan, de Regeering is, de Regeering vertegenwoordigt. Ik geloof ook niet, dat het in eenig constitutioneel Rijk gebruikelijk is, bij eenig voorstel van wet bij eenig artikel, een voor een de Ministers op te roepen en te vragen! zijt gij Minister van Financiën, gij Minister van Binnenlandsche Zaken het met. dit voorstel van wet, met dit artikel eens? Dit mag niet aeschieden, noch rond noch bedektelijk. In allen gevalle mag zoodanFge vraag geene beschouwing uitmaken ten nadeele der wet. Voor de Regeering als eenheid treedt die Minister op, die, aan het oordeel van den wetgever een voorstel van wet onderworpen hebbende, dit komt verdedigen. Te zeggen: wij zien in dien Minister de Regeering niet, dit is, dunkt mij, het wezen van de Regeering, zooveel zij tcgen^ over de Kamer staat, voorbijzien; het is ter zijde stellen hetgeen men aan don Minister, die zoodanige taak komt vervullen, verschuldigd is.

Sluiten