Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

do myne, door enkele gulhartigheid, vry wat ruw en gevoelig. Moeder kwam hier op my haar mond aanbieden, en ik kuste haar, dat het klapte, zo wel als 't goed Motje, die my al grunzelende meer als tienmaal verzekerde, dat ik van harten welkom was. Dog de geringe onaangenaamheid , die ik hier had moeten ondergaan, wierd my dubbel vergoed door drie zoentjes zonder erg, die door ieder van de zoete jonge meisjes tegens zo veel van do mynen gerailt wierden en van de wolken ik met minder geluit wat langzamer, als van de vorigen , myn genot nam. Agnietje, die buiten twyffel wist, hoe ik myn best had gedaan, om 't werkje voort te zetten, wierd, zo dra ik haar naderde, hoewel haar mooye bruinoogjes zeer vriendelyk stonden, zo rood als bloed. Dog 't is niet uit te drukken, met wat doorstralende vriendschap ik van den hupschen Kobus om dezelfde reden onthaald wierd. Nauwlyks kon ik myne handen uit de zynen ontwerren. Had hy zig niet ontzien, ik geloof, dat hy my dezelven gezoend zou hebben, en zyne dankbaarheid was duidelyk geschreeven in alle de trekken van zyn wezen. Vader en Moeder, hun zondagsche pakjes aan hebbende, zagen 'er netjes, dog maar als gemeene burgerluidje» uit. Motje was met blonde, of liever geele scheeltjes gekapt, die, gelyk de rest van haar kleeding, ruim half zo bejaard scheenen als de goede sloof zelf. Agnietje, Zusje Keetje en de vroome Vryer waren in 't nieuw en al een trapje of twee hooger in zwier geklommen als van te voren; en ons vrystertjes Moeder was als eene fraye b'.rgervrouw aangedaan, zonder de minste kostelykheid, maar met een kuifje op 't hoofd en in alles propertjes en helder. Dewyl zy wat fatsoenlijker als de man en vrouw van 't huis opgebragt scheen, geloof ik voor vast, dat ze met raad en daad tot het dekken van de tafel, gelyk ook tot het ordonneeren van 't eeten, zal geholpen hebben. Want alles was op zyn burgers even ordentlyk. Het tafellaken fijn en ruim, en de servetten fray geplooit, en binnen ieder eenig wittebrood. Daar by lagen by alle de tinne borden nieuwmodische messchen, nevens zilvere lepels en vorken, die pas uit de winkel scheenen te komen. Terwyl ik deze omstandigheden aanmerkte, wierd het eerste gerigt opgedist, bestaande alleen in een zeer groote schotel potagie van een kalfsschinkel mot balletjes, soucysen enz. Komt, Vrienden, sprak Vader toen, laat het eeten niet koud worden, als 't je blieft, en neemt je plaats ? Hoor, Man , zey Moeder daarop, laat my daar eens me omspringen: ik zal 't wel schikken, zo als 't hoort. Myn Heer den Avocaat is nog een vryer, laat die tusschen de Meisjes gaan zitten, onze Kobus naast Agnietje, daar na buurvrouw, en dan Motje, en dan zeilen wy onze plaats van zelf wel vinden. Zo gezegd, zo gedaan, en in een ogenblik was dat garen, dikwils zo verward in andere gevallen, afgehaspeld. Agnietje, haar moeder en ik namen aanstonds ieder wat op ons bord, en Kobus, die al wat in do schotel gelepeld had, gelyk d'andere vrienden, volgde ons daarin op het aanstooten van zyn liefje, die hem zachtjes

Sluiten