Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jan. Verwaarloost, Myn Heer! daar ben ik de man niet naar; ik weet al te wel, dat brieven zaken van een al te groote aangelegenheid zyn.

Doctor. Maar antwoord ine hier eens op, heb ik je niet honderd maal verboden op je verbruide veêl te leggen schraapen , en heb ik jou drommels zagen van ogtend niet wéér gehoord. Jan. Van ogtend, Myn Heer! wol heugt het Myn Heer dan niet meer, dat Myn Heer de Viool op myn arme kop aan niorsselen geslagen heeft ?

Doctor. Nu, dat hout, dat van daag t'huis gekomen is, dat leid nog op de plaats, buiten twyffel, om met dit losse weer door-nat te worden.

Jan. Daar heeft het geen nood, van, Myn Heer, dat leid al lang op Zolder, zo net gestapelt, dat het een pleizier is; ho ho, zedert heb ik Willem nog geholpen een voer hooi opsteeken; ik heb al de boomen van den heelen tuin begoten; ik heb alle do paden geschoffelt; daar by heb ik nog drie bedden omgespit, en ik was bezig met het vierde, toen Myn Heer heeft geschelt.

Doctor. Ja wel; 't is niet langer te houden, met die duivelscho Vont.

Nog heb ik van myn dagen, van geen Knegt zo gobruit gegeweest , hy is immers bekwaam my van spyt en razerny to doen barsten, zo 'k hem niet zonder uitstel wegjaag. Scheer je van hier, zeg ik, en wagt je zelfs van ooit hier omtrent te komen.

Alle de trekken, die zig in deeze t'zamenspraak vereenigen, passen by uitstek op een groinmert, die geen booden kost en loon schynt to geeven, om 'er van gediend te zyn, maar blotelyk om het dagelyks vermaak te genieten, van de zeiven te bekyven, en met scheldnamen te onteeren. Dog niets schildert zo een ongelukkig schepzel wezonlyker, en levendiger of, dan de laatste uitspatting der hevigste gramschap van onze Doctor tegens den armen Jan, die weg word gejaagt, om dat hy doende alles wat hem geboden is, ja zelfs meer, zyn Meester allen mogelyken grond van kyven en schelden beneemt, en als ten hoogste misdadig word behandelt, juist om dat hy nergens in misdaan heeft.

't Is net zo geleegon met het rampzalig humeur der rechtschape knorrepotten. Ze zyn als overstroomt van een zwarte gal, die zo ze geen opening naar buiten vind: de naarste werking van binnen veroorzaakt, de droevige bezitters by do keel grypt, en in gevaar brengt van te stikken. Niets dienvolgens kou hun aangenamer zijn, en een kragtiger verligting bybrengen, dan hun schynbare beweegredenen te verschaften, om zig van een goed gedeelte der uitwaasemingen van die verbrande vogt to ontlasten; 't Is natuurlyk zelf dat ze een soort van

Sluiten