Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

125 Wie weet, zegt sy, in zwaare reegen, Wie weet, waar hy nu is geleegen, Of zwerft verwaeyd in holle zee! Sy spraaken laast van uit te vaaren, En nergens Spanjens Yloot te spaaren, 130 Zelfs niet op Eng'lands Kust of Keê!

ö Dat men tyden mogt beleeven,

Dat ieder zwakke, jonge Yrouw Yoor haren Man niet altyd beeven, Nog zorg voor Weesen voeden zouw! 135 Voor Weesen! Roseraond bewoogen Voelt traanen duisteren haar oogen,

Die bare hand veegt spoedig af.

Maar d'oudste kind'ren laaten 't speelen, Om door hun zoentjes 't leed te heelen, 140 't Geen ieder vreesde, dat hy gaf!

Die kind'ren eysschen nieuwe zorgen, De kindsheid vordert vroege rust; D' Aanstaande nacht zal voor de morgen Bereiden kracht en nieuwe lust. 145 De moeiheid blykt aireed' aan 't gaapen; Eeri kort gebed verhaast de slaapen;

Die slaap is zuiver, onverstoord, Wyl Rosemond, diep in gedachten Op 't Zeemans lot in zulke nachten, 150 Met zidd'ring elke rukwind hoort.

Maar, denktse, wat kan 't zorgen helpen?

Hy is, ö God! in uwe hand,

't Zy hem de golven overstelpen,

Of syne plicht hem vind' aan land! 155 Ik moet voor deese kind'ren leeven:

Nog eens de borst aan 't klein gegeeven!

En, als d? lamp is uitgeblust,

Keert Rosemond zig in gebeeden Tot 's Hemels goedertierenheeden, 160 En haare slaap is ook gerust!

Sluiten