Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mond niot niaakcn. Hy kan zyne Visch wel beter ten inarkt brengen. Jy zou eene liefelyke vrouw voor hem zyn! Laat hy een meid noemen, die niets heeft, dan haar eertje en haar kleertje, daar zal ik niet naar kyken; want gierig bennen wy niet. Ik moest jen Moeder zyn, of ik je ereis handen uit den mou zou doen steeken! De Dominees hebben geen ongelyk, als zy : fcggen, dat ons land door de pragt en grootschlieid onzer Kooplui te gronde gaat, en dat onze lieven Heer daarom den Engelsman toelaat, alle onze Schepen en Coloniën weg te neemon. Want wat was jen Vader toch anders dan een Koopman? Ik heb hom wel gekend, en jen Grootvader ook: Willem Loevend, of eigenlyk: Willem - Pieters. Hy ging er zo maar op zen oud benist door, en zei altyd, dat zyn Grootvader maar een Weeversknegt geweest was, en daar sprak de man wel aan. Een slegt mensch, die zich zyn Yoorouwers schaamt. Zag hy nu reis op! Wel, kind, hy sloeg zyn handen in mekaar, om zo eene beroerde kleindogter, en' om al de fierlefieten, die ze aan heeft. Je lykt wat naar jen Grootmoeder! Die ging met een kuifmusje en een zyd japonnetje alle zondag ter kerk; en op zyn breedst was het Juffrouw. En het waren menschen van kappetaal. Nu weet gy, Jnffertje, dat ik geen wolle lap ben, al ben ik

Uwe Tante, Martha db Hakde.

4. Een en-Vijftigste Brief. (Dl. I).

Mejuffrouw Alida Leevend aan Mejuffrouw Martha de Hakde.

Waarde Tante!

Wel zo! heeft myn brief u zo moeilyk gemaakt! Daar is Oom hier aan huis geweest, en heeft een groot Baal geschopt. Mama is er van ontsteld; en Vader heeft met my een staanden stryd gekeevcn. Hy was zo boos, dat ik hem tegen zyn zin aan 't lachen kreeg, en met Oom had ik handen vol werk, voor ik hem kon overschreeuwen. Je weet, lieve Tante, hoe de mans zyn! altyd willen zy het laatste woord voeren. Uw Zoon wilde my helpen; maar hy kreeg een ouwerwetzen konkel met een: waar steek jy jou neus in, jou Aapenkind? Nu alles is bedaard; met Oom en my, meen ik. Oom is wel zeer in zyn schik met de reis van Bontekoe. Hy had er veel van gehoord, maar het nooit geleezen. Zeker, Tante lief, gy hebt myn brief niet goed opgevat. Laat ik u dit toch mogen beduiden. Onlangs vroegt gy my. (of ik moet het gedroomd hebben) wat toch een Roman was? Ik zei: een Roman is eene versierde Historie. — Dit was u wat duister; ik ging daar om zelf er eens een opstellen, om u dit te doen begrypen. En in plaats van te schryven: Nu altyd, daar was eens een Heer en een Juffrouw, en die

Sluiten