Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fransch trok hem aan, en voor Voltaire koesterde hij groote bewondering. Zijn roem dankt hij vooral aan zijn hoofdwerk:

De Hollandsche natie in zes zangen (1812), (A.)

een hartstochtelijk lied waarin hij met schelle tonen de Nederlanders poogt aan te vuren tot verzet tegen de Fransche overheersching, tot afwerping van het Fransche juk. Hij kon bijna geen woorden vinden, krachtig genoeg om zijn diepe verontwaardiging over onze vernedering uit te drukken, en zijn verkropt gemoed lucht te geven. Het gedicht is in de hoogste mate gezwollen en opgeschroefd (A.), maar vond in dien bangen tijd weerklank in de harten van hen, die aan een mogelijk herstel niet wanhoopten. Stellig verdient hij onze hulde om zijn durf en zijn vaderlandsliefde, die hem dit gedicht deden schrijven, waarvoor de prefekt de Celles hem gevangen wilde laten nemen. Juist den nacht voor de gendarmes kwamen om hem op te eischen was hij gestorven (1813), zoodat hij voor de vernedering der gevangenschap bewaard is gebleven.

Ook in zijn andere gedichten slaat hij meestal dezelfden toon aan: een onverlaat is hij, wiens hart niet voor Holland klopt, hij moet vergaan of verzinken in 't niet; Hollands roem is onvergankelijk en geen land is er mee te vergelijken (B.); Spanje, dat den strijd tegen onze voorouders durfde aanbinden is een plundernest, de Spanjaarden zijn ongedierte en geboefte, de Nederlanders daarentegen zijn het edelst volk der aard.

Schijnt hij ons, om dergelijke uitingen (en zijn verzen krioelen ervan) op zijn zachtst uitgedrukt, meer vaderlandslievend dan waar, men vergete niet, dat men hard moet schreeuwen om iemand uit een vasten slaap te doen ontwaken, en krachtige termen noodig heeft om een moedelooze tot werkzaamheid te prikkelen.

v. Schothorst. II.

9

Sluiten