Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mot schado aan dure feestkleedy Kwam menig aardig kind niet vrij; Men raakte in zweet op 't lange pad; Men vatt'e koude in 't modderbad;

En de ijver om ter kerk te gaan Bragt buikpijn en geen stichting aan.

Kortom die voord was elks verdriet, In Almens needrig dorpsgebied;

Van toen de Meid per bezemstok, Den schoorsteen uit daar overtrok,

Tot, na verloop van eeuw en dag, De Tooverkunst begraven lag;

Wanneer een Kerkedienaar kwam,

Die 't oud gebrek ter harte nam,

En, op een morgen, na 't sermoen,

Zijn woord aldus begon te doen:

„Mijn Vrienden in mijn prillen tijd, Ten herder van dit oord gewijd,

Zwom ik, met onbezweken trouw,

Mijn kudde voor, naar 't kerkgebouw. Ook heden nog, hoe grijs van kin,

Schoot ik getroost den slibkuil in;

Maar 't wil niet meer, en blijft het dus, Zoo heet ik ras emeritus.

Met droogen hoest en jicht bezocht,

Verlaat mij kracht en ademtogt. Nog tweemaal als van daag doorweekt, Eilaas, dan heb ik uitgepreekt!

Een Brug, op 't smalste, naast de voord, Uit planken van 't geringste soort,

Ziet daar mijn wensch! Vergeet toch niet, Wat ge in dien poel al schoenen liet! Denkt aan uw kostlijk zondagsgoed, Bedorven door dien moddervloed!

Ligt vindt gij, eer het werk verjaart, Uw uitschot dubbel ingespaard;

En ik behoef dan baai noch drop,

En luik weêr als een arend op!"

Hier zweeg de Man. Zijn aanspraak had De luidjes bij hun zwak gevat.

Sluiten