Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Een kujjer ver van Lochems Veldgemcont') Ten badplaats aan de snaatrende eend — Ten spiegel aan de bonte wolken:

't Was derwaarts dat ons tweetal trok; In elk der Kolken plompt een Klok — En 't zijn voortaan de duivelskolken.

Zoo vaak het jaar weer Kerstijd bragt, Kwam, sedert, puncto middernacht, De Heivoogd op zijn Klokken trommen;

Of hier een stoute vrijgeest lacht, Wie scherp yan oor is, hoort ze brommen,

C. HERDENKING.

Wjj schuilden onder dropplend loover,

Gedoken aan den plas;

De zwaluw glipte 't weivlak over, En speelde om 't zilvren gras, Een koeltjen blies, met geur belaan, Het leven door de wilgenblaan.

't Word stiller; 't groen liet af van droppen;

Geen vogel zwierf meer om, De daauw trok langs de heuveltoppen, Waar achter 't westen glom;

Daar zong de Mei zijn avendlied! Wij hoorden 't, en wij spraken niet.

Ik zag haar aan, en, diep bewogen,

Smolt ziel met ziel in een. O tooverblik dier minlijke oogen,

Wier flonkring op mij scheen! O zoet gelispel van dien mond, Wiens adem de eerste kus verslond!

Ons dekte vreedzaam wilgenloover;

De scheemring was voorbij; Het duister toog de velden over; En dralend rezen wjj.

Leef lang in blij herdenken voort, Gewijde stond! geheiligd oord!

D. DE ISRAËLITISCHE LOOVERHUT.

Wie smalend tot uw Hutje kwam —

Niet ik gij Kind van Abraham!

Ik schenk, uit een opregt gemoed, Den drempel mijnen vredegroet!

Gy viert uw (Feest, en zit getroost, Te midden van uw talrijk kroost, In schaduw van uw loovertent,

Als Mozes u heeft ingeprent.

Sluiten