Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunstenaarsgemoed. Daarenboven moet de historische-romanschrijver voortdurend zorg dragen, dat noch de kunst, noch de wetenschap in de knel raken, maar beide tot hun recht komen. Groot gevaar loopt hij ook, te weinig werk te maken van karakterteekening, en daarentegen aan de beschrijving van toestanden en gewoonten of het verhalen van gebeurtenissen te veel plaats in te ruimen. In hooge mate is dit het geval met den nestor onzer historische-romanschrjj vers,

Jacob van Lennep (1802—1869).

Gesproten uit een patricisch Amsterdamsch geslacht — zijn ^ader was prof. D. J. van Lennep — was hij volop in de gelegenheid zijn vluggen, maar vluchtigen geest veelzijdig te ontwikkelen. Hjj studeerde in de rechten, was eenigen tijd leerling van Bilderdjjk, wiens stellingen hjj met jeugdig vuur verdedigde, maar later ten deele verwierp, en werd in 1829 Rijksadvokaat, 't geen hjj tot zijn dood (1869) bleef.

Hoewel hjj reeds aan de academie als dichter van de Academische Idyllen bekend werd, en later nog talrijke bundels poëzie het licht deed zien, dankt hjj zjjn roem vooral aan zjjn historische

romans.

Voor hjj als romanschrijver optrad, had hij in zjjn sterk romantisch gekleurde berijmde Legenden, waarvan Het huis ter tcede een typisch voorbeeld is, reeds getoond, hoe sterk hjj onder invloed stond van Byron en Scott. Hoewel hjj met deze eerste proeven van romantische kunst vrjj veel succes behaalde, kon hjj eerst in 1833 een uitgever vinden voor zjjn roman

De Pleegzoon,

dien hjj reeds eenige jaren in portefeuille had.

Zjjn taal wordt er nog door vele Gallicismen ontsierd, en vertoont in sterke mate de deftigheid en omslachtigheid, die den anders vaak zoo levendigen en geestigen van Lennep in

Sluiten