Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getracht zijn plaats in te nemen, en is het gaandeweg nun of meer onder invloed gekomen van de mannen van 80, die het eerst zoo vurig bestreed, maar voor wier bijdragen het thans ook openstaat.

A. Uit: HET PROZA.

Geëerde Toehoorders!

Gij hebt dikwijls gehoord of gelezen, of bij U zelve nagedacht, over de geschiedenis der Poëzij, en Gij zijt steeds teruggevoerd naar een tijdperk, misschien niet van barbaarschheid of redeloosheid, maar van noo- onbeschaafde zeden, wanneer men U den oorsprong dier edele kunst aanwees. Men heeft U den natuurmensch geteekcnd, en uwe verbeelding heeft er nog iets bij geschilderd, hoe alles, wat dien natuurmensch treft, een levendig en driftig gevoel in hem opdekt, dat hij niet kan intoomen, maar waaraan hij lucht geeft in een beeldspraak, die zijne zinnelijkheid schept: hoe die uitboezeming bij hem allengs gezang wordt, en dat gezang hem dwingt tot maatgeluid en evenredige afdeeling zijner

woorden. .

Dit was de oorsprong der Poëzij, en zij bleef gezang, totdat vordering

en beschaving, wier beginsel verdeeling schijnt te wezen, eene kunst ontwikkelden, die verheven is, dewijl zij gewaarwordingen opwekt, die niemand beschrijven kan; ons doet genieten, maar niet bevredigt, en in hare hoogste volkomenheid, de ziel aandoet door een duister en dweepend besef eener hoogere behoefte. Sedert dien tijd gaat de Poëzij veelal onvergezeld en gescheiden van hare zuster; maar do Dichters blijven hun werk gezangen noemen; velen van hen zeggen ons, ij hunnen aanhef, dat zij de luit aanvatten, dat zij de harp bespelen, dat zij do snaren zullen doen ruiscben — en evenwel spelen en zingen en ruischen zij niet. Maar deze belofte is een beeldspraak, eene onwillekeurige bekentenis van hetgeen hunne kunst moest wezen. 7-ingendo riep Homerus uit: Zing, Muse, den toorn van Achilles! Onze Dichters heffen aan: lk zing den held, maar het is onwaar; zij moesten aanheffen: lk schrijf, of ik spreek in kaians van den held! Doch ziet, hoe groot eene kracht de natuur heeft, dat zij den mensch, die ra zijn maatschappelijken toestand zoo ligt van haar afdwaalt, telkens wederom tot zich trekt! In alle volgende eeuwen heeft men dat dichttalent, die eigenschap van don natuurmensch, behouden en met ijver en vlijt aangekweekt. — Wanneer verstand en rede verfijnd waren en zich met het opsporen van oorzaken en het berekenen van gevolgen bezig hielden, dan waren er nog altijd, die zich aan een eersten indruk leerden over te geven, en hunne gewaarwordingen ontboezemden op eene wijs, die

Sluiten