Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder ons, die ze hem niet gunt! al wat ik nu nog fe vertellen heb, maar daar is Jannetje Jan op zijde.

„Vader! mag Jan Salie meê aanzitten?"

„Onder aan, vrouw! Hot is van avond voor het laatst) morgen besteed ik hem op een hofje."

Houd het Jannetje ten goede, dat zij met hare voorschoot langs hare oogen strijkt! doch zij rept zich reeds hare plaats in te nemen, luister nog een oogenblik, bid ik u, naar een paar jongens, die het langst bij de haard blijven drentelen, die den woordwissel tusschen Jan en Jannetje hebben gehoord.

„Als Jan Salie onder aan moet zitten," zegt een snaaksche bogchel — de meest verwaarloosde, de wreedst verstootene van Jan's kinderen, en zijn lach is ook bitter, „dan wordt hij mijn buurman! — Wat spijt het mij, dat Jan Gat en Jan Hen hier geen' toegang hebben, ik zou er hem tusschen plakken, of de drommel zou mjj halen! Broertje! wat een flauwe aardigheid was dat — ik zet er beter in mijn' jeugd. Mijn' jeugd!" — en hij slaat met het houten zwaard, dat hij op zijde heeft, tegen zijn spillebeentjes — „welk een andere jongen was ik toen; Huygens had plezier in me — Huygens, de taalgeleerde Hagenaar — Huygens, die de geheimen van drie Prinsen wist! Sinds hebben de poëten mij verstooten; allerlei vreemde snoeshanen stapten als pauwen over het tooneel, ik mogt er niet op; ik was te gemeen. „Op straat met je ronzebons!" — schreeuwden ze." — En hij schuift de muts uit zijne oogen; de wonderbaarlijke, grauwlederen muts; en zijn voorhoofd blijkt zoo heel eng niet. — „Maar had ik dan geen aanleg," vaart hij voort, „school er dan geene geestigheid in mijne breinkas'r" — en hij tikt er tegen; was Trijntje Cornelis niet aardig, niet weêrgaas aardig? Als de latere jongens van de lier aan mijne invallen de helft van de moeite hadden besteed, die zo voor uitheemsche prullen over hadden, ze zouden nu op een oorspronkelijk tooneel mogen stoffen, ik ben gewroken! — maar ten koste van het volk! Is het niet jammer, broer':" — De bogchel is al zóó gewend alleen voort te praten, dat hij niet eens antwoord afwacht: „Als ze mij vrijheid hadden gegeven voort te hekelen, als zo vermoed hadden wat er in mij school, zie, het jongsken, dat moeder het laatste doldjjnde het zou nooit Jan Salie zijn geworden; ik had hem zoo lang uitgelagchen, hem zoo lang gestriemd, tot hij zich had gebeterd; ik heb van mijn Huygens geleerd:

„Ik spaar de roede niet, ik heb het volk te lief."

„.Jan Claassen!" herneemt de andere zoon Jan's, tot wien onze vriend uit den poppenkast zijne ietwat paradoxale klagt rigtte, „als hadden komt, is hebben te laat; maar een ding beloof ik je, wanneer Jan Salie zich op zijn hofje waagt, dan zal ik het al wie hem opnemen loof maken, ik ben niet voor niemendal Jan Kritiek."

Sluiten