Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Wat toeft ge, o Seminarie-trits?

Ei, zet u bij de vrinden! .... Hoe nu? de bank is opgepropt, Er is geen plaats te vinden ? ...

Men sluit hun 't deurtje voor den neus,

Men laat hen opraarcheeren. Adieu, kollega's! hier is 't uit Met ons fraternizeeren!

Men sluit hun 't deurtje voor den neus

Gij hoort niet bij die heeren! Wat meent gij? die lllustre School, Zou zich — enkanailleeren ?

O wee! o non-sens, o ellend!

O tijden, raenschen, zeden! O Schotje, dat de broedren scheidt! O gruwlen van 't voorleden!

O Schotjen, aaklig overschot Van lang gestorven veeten, Van broedertwist, van broederhaat, Vervolging van 't geweten!

Gerechte hemel! ziet gij 't aan ?

Daar sluit men ze op een plokje Als halve ketters bij elkaêr,

Apart in 't kleine hokje!

Een Lutheraan, een Romonstrant,

Twee eerlijke Mennisten, Die worden achter 't schot gezet, Als waren 't antichristen!

Den Lutheraan, den Remonstrant,

Bij zulk een feestgenotje, Die schuift en dringt men op elkaêr, Als uitschot — achter 't Schotje!

De Lutheraan et caeteri,

Dat zijn toch brave kerels: En, Athenaeum! aan uw kroon Zeer schitterende perels! —

De Remonstrant et caeteri,

Die moeten u geneeren!

En hier alleen, hier durft, hier mag Zoo'n Schotje hen negeeren!

Toch heeft onze eeuw zoo menig muur

Als Jericho zien vallen, Zoo menig breeden dam geslecht En ontoegangbre wallen!

Zoo menig hooge toren viel Als Babyion in gruizelen,

Ik zag de wijzen overbluft, En starre hoofden duizelen!

Maar, trots de schokken onzes tijds,

Dat triomfante Schotje Maakt met partijgeest en behoud Een gruwelijk komplotje!

Al is 't een gruwel in ons oog, Wat namen wij nog dragen, Al kan dat onverwrikbaar ding Geen Christenziel behagen:

Al werd het zesmaal ridikuul

Sinds ééntjen — o die stoutert! — Met vluggen, vrijen, fleren moed, Er over is geklauterd; —

Het staat, het scheidt en scheurt ten Van waarheid en verlichting! [schand' Dat Schotjen is — een formulier, Dat Schotjen is — een richting!

Het heeft een kop, het heeft een ziel,

Staat vrinden, niet verwonderd! Ja, in dat Schotje huist een ziel. De geest van zestienhonderd!

Een schalke Dortsche grootpiepa

Zit in dat schot verstoken,

Die bij zijn leven tien uur ver De ketters heeft geroken!

Sluiten