Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naast deze drie verdient zeker genoemd te worden de hofprediker

Cornelis Elisa van Koetsveld (1807—1893),

die zich door zjjn stichtelijke werken, maar meer nog door zjjn

Schetsen uit de pastory te Mastland (1843),

„Ernst en luim uit het leven van den Nederlandschen dorpsleeraar" grooten roem heeft verworven. Deze vloeiend — hoewel hier en daar wel eens wat preekerig van toon — geschreven schetsen zijn grootendeels herinneringen aan zijn eerste predikantsplaats, een dorpje in het Overmasche. Zijn diepe menschenkennis en zijn huniorischtische aanleg maakten hem bizonder geschikt voor deze dorpsvertellingen, waarvan vooral die uitmunt, waarin de strijd van den rijk geworden Ary Ploegstaart tegen den burgemeester wordt verhaald.

Het is een prettig en frisch boek, dat ook nu nog tal van lezers vindt, en blijft boeien door de groote scherpte, waarmee het dorpsleven is waargenomen en den fijnen humor, waarmee het ons wordt weergegeven.

Een ander predikant, niet minder bekend om zijn humoristische schetsen is

Fran^ois Haver Schmidt (1835—1894),

die zich reeds in zijn studententijd heeft beroemd gemaakt door zijn gedichtjes in den Leidsclien Studentenalmanak, die, met eenige vermeerderd, later zijn uitgegeven als:

Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens (1867).

Het eigenaardige dezer versjes zit — zooals de titel reeds min of meer aanduidt — in de scherpe tegenstellingen, 't zij — als in Liefdewraak en Des Zangers Min (A.) — tusschen woord en daad, 't zij als in Tijgerlelies tusschen onbeteekenende uiterlijkheden en werkelijke of vermeende diepe smart. Soms, als in Jan van Zutfens Afscheidsmaal, hooren we den echt-vroolijken,

Sluiten