Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verscheen me een engel, schitterend van licht,

En schoon . .. o moeder, hemelsch! In z'n hand Droeg hy twee kronen, de een van doornen,

En de ander scheen van goud. „Louise, hier!"

Zoo sprak hy. Maar ik stak de hand niet uit:

Ik was beschroomd, en sidderde in m'n droom.

En nog-eens riep hy, dat ik kiezen zou.

„Wat wilt ge, koningin of mensch zyn, sprak hy, Een mensch die lydt, gevoelt en arbeidt, of Een Koningin die heerscht!" Ik koos het eerste!

En drukte my den doornenkrans op 't hoofd,

En voelde 't bloed my bigglen langs de slapen . . .

„Door dat tot dit!" sprak de engel, en hy lei De gouden koningskroon my in den schoot .. .

Toen werd ik wakker van de pyn: ik lag In 't rozenboschje . . . een wilde slingerstruik Had my gewond ... de gouden kroon was weg.

Na zich gedurende de laatste regels ie hebben opgericht , blijft ze etnige oogenblikken met de handen voor 't gelaat staan.

Koningin-Moeder.

— Niet voor altyd, myn kind! Uw droom was juist!

Louise.

— Neen, moeder, niet geheel. . . nog niet! Misschien Zal 't eenmaal waar zyn, maar ik acht

My zelve niet gekroond tot Koningin,

Voor ik de kroon der smarte heb gedragen.

Door haar tot de andre, als in m'n kinderdroom!

'k Wil weten wat het leven in zich heeft.

Ik wil myn tol betalen voor het recht Een mensch te zyn. Ik eisch myn wettig deel Aan de algemeene taak. En, moeder, als Ik al m'n kracht ten offer heb gebracht Aan 't welzyn van m'n medemenschen . . . dan,

Ja, dan noem ik myzelve Koningin.

Dan neem ik 't aan als eerelyk verdiend,

Wanneer het Volk my toejuicht. .. eerder niet!

Sluiten