Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijne woorden herhalende, zoo als hij gewoon was, wanneer hij iets opmerkelijks in eene vraag vond, en terwijl hij mij met de uiterste verbazing beschouwde. — Zonderlinge jongen; — heeft de schilder die woorden gekend? zonderling, en die opmerking, die een kind maakt, is mij noch nooit in de gedachte gekomen.

— Ja waarlijk, vervolgde hij na eenig peinzen, de schilder zal ze gekend hebben en die woorden, tot eene les voor het nageslacht, in hare trekken hebben willen uitdrukken

— Waarom heeft ze er niet onder geschreven? vroeg ik.

— Er onder geschreven ? herhaalde mijnheer v. N. . . mij weder met verwondering aanziende, doch daarop glimlachende vervolgde hij: — Wel, het is mogelijk dat hij van plan was die woorden als motto onder de schilderij te plaatsen, maar dat de dame dit niet heeft verkozen!

— Wel, wel! zeide mevrouw van N. .. lachende, het is immers niet waar, wat gij daar van tante vertelt?

— Zóó waar, zeide haar echtgenoot, als het op die gelaatstrekken duidelijk te lezen staat, al heeft een kind het mij moeten wijzen. — Zij was toch eene vrouw met edele eigenschappen, maar zij sprak deze woorden onder het woeden der partijschappen, in 1795, in tijden van blinden haat: zij niet haar gansche geslacht getrouw aan het toen verwijderde vorstenhuis verkleefd, zij sprak zoo van een dominee die, ook met hoogst laakbare heftigheid en verbittering, der andere partij was toegedaan. Het is droevig dat haat en hartstocht op een schoone ziel zulk een vlek kunnen werpen, maar laten wij haar niet te hard veroordeelen; zulke tijden maken zulke menschen.

En zich weder in zijne overdenkingen terugtrekkende, prevelde mijn vader: — Of de schilder die woorden gekend zou hebben?

Wij waren noch eenigszins onder den indrnk van het gehoorde, toen onze plompe boerendienstmeid, trouw als goud, met hare verweerde mahoniehouten armen, licht kwam brengen.

Toen zij dit op de tafel zette, werden haar ontdaan gelaat en roode oogen zichtbaar.

— Wat is er gebeurd? vroeg moeder zacht. Zij gaf geen antwoord, en zoo het mogelijk ware dat haar donkerroode wangen een hooger tint aannamen, zou ik zeggen dat zij bloosde.

— Wat is er meid? herhaalde moeder zacht, en op een aanmoedigende wijze. Geen antwoord. Zij begint te leeven en een tip van het blauwe harde schort wordt opgevat en daarmede met kracht in een der oogen gewreven.

— Kind, wees voorzichtig! zei moeder, wrijf je oog niet uit! Komaan, zeg mij wat er is gebeurd; wees niet bedeesd. Heb je je knip verloren? . . . of heeft Jasper je verlaten?... of... of... en mijne moeder keek ernstiger, je hebt immers niets kwaads gedaan?

Sluiten