Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dadelijk veel lezers lokte. Alsof er nog geen periodieken genoeg waren, kwam in 1905 Yerwey met een nieuw maandschrift voor den dag De Beweging geheeten, dat beter dan de andere een afspiegeling wil zijn van wat er omgaat in de hoofden en harten van Jong Nederland. Is dit groote aantal tijdschriften, om dan nog maar niet eens te spreken van De Gids en Onze eeuw, een bewijs van groote belangstelling van de zijde van het publiek en van een rijkdom aan „letterkundigen," ter wille van de kunst zou het zeker te wenschen zijn, dat het aantal tijdschriften wat kleiner was, zoodat het publiek slechts het allerbeste te lezen kreeg.

II. MODERNE POËZIE.

Onder onze moderne dichters wordt de eerste plaats ingenomen door

Jacques Fabrice Herman Perk (1859—1881),

den vroeg gestorven kunstenaar, wiens verzen onmiddellijk treffen als uitingen van een geheel anderen geest dan zich vóór dien tijd in Nederlandsche poëzie had geopenbaard. Bij hem geen bespiegeling of redeneering naar aanleiding van een waargenomen of verdicht feit, maar een treffend juiste weergave van de schoonheid der natuur, zooals hij die met zijn kunstenaarsoog heeft gezien en zijn dichterhart heeft gevoeld als iets eeuwigs, iets goddelijks. Wie zoo het eeuwige in de vergankelijke vormen weet te zien, in wie zoo sterk leeft de vreugde over en het onleschbare verlangen naar schoonheid, moet wel anderen ontroeren , wanneer hij, als Perk, in schoone harmonie van klank en rhytme zijn stemmingen in woordmuziek (A. 2, 3.) weet te uiten. Want niet alleen wat den inhoud aangaat zijn deze gedichten vruchten van den nieuwen tijd, ook in uiterlijk verschillen zij geheel van de poëzie uit 't vorig tijdvak. Vooreerst omdat zij bijna uitsluitend in den sonnetvorm gegoten zijn, een vorm die,

Sluiten